banner

FeaturesInterviewsUitgelicht

Interview The Sore Losers: ‘Ik zou de albumcover op mijn rug willen tatoeëren’

©CPU- Willem Devriendt

Limburg mag tegenwoordig dan wel bekend staan om de vele jonge rappers, er komt aanstaande vrijdag ook een album uit van vier ervaren rotten binnen de rock-‘n-roll. The Sore Losers brengt met Ultra Elektric zijn vijfde langspeler uit en dat belooft er eentje te worden waarop de gitaren weer scheuren zoals vanouds. Nadat er op Gracias Señor wat gas werd teruggenomen, werd er aan de nieuwe plaat vooral gewerkt met het podium voor ogen. Om wat meer te weten te komen rond het album, doken we samen met frontman Jan Staetemans en leadgitarist Cedric Maes de backstage van de Ancienne Belgique in. We hadden het over muziek, tattoos en het Sportpaleis uitverkopen, maar vooral over rock-‘n-roll.

Heren, jullie brengen aanstaande vrijdag al jullie vijfde plaat uit. Sluipt er dan een soort gewoonte in het proces of blijft het spannend? 

Cedric: Ik heb altijd stress, want ik wil altijd beter doen dan de vorige keer. Het blijft iets speciaals, zo’n plaat maken. Het is niet zo dat het iets vrijblijvend is. Ik heb nummers waarvan ik denk: ‘Dat wíl ik maken, daar heb ik zin in en dat wil ik met de mannen spelen.’ Er zitten ideeën in mijn hoofd en ik wil horen hoe die binnen de band klinken. Het is geen negatieve stress, meer een vorm van spanning.

Jan: Je wil natuurlijk ook dat het album goed is. We zijn vrij streng voor onszelf. We werken heel veel ideeën uit, maar gooien er ook heel veel weg als we ze niet goed genoeg vinden. Het is altijd weer een wit blad waar we voor zitten en er moet iets op komen. Ook al hebben we al zoveel liedjes geschreven, het is altijd weer spannend om te zien of het lukt en of het goedkomt.

Cedric: En je wil jezelf blijven verrassen natuurlijk.

Lukt dat nog, want jullie hebt al zoveel gemaakt. Hoe vinden jullie nog nieuwe ideeën?

Cedric: Vreemd genoeg ontstaan die soms gewoon. We schrijven allemaal, maar in mijn geval is dat vrij dubbel. Soms denk ik: ‘Nu wil ik iets maken’, maar dan trekt dat op geen kloten en komt er niets uit. Het kan ook zijn dat ik bijvoorbeeld de afwas aan het doen ben en dat er me plots een melodie te binnen schiet.

Jan: Daar ben ik jaloers op. Ik heb dat totaal niet. Ik moet echt gaan zitten, werken en schrijven tot ik genoeg heb. En daarvan is dan uiteindelijk een klein percentage goed genoeg.

Cedric: Allez jong, dat wist ik niet. Bij “Yeah Yeah Yeah” nam ik gewoon een basgitaar op – ik speel niet eens bas, ik ben geen bassist of zo – en het eerste wat ik speelde was die melodie. ‘Ah dat kan wel iets sjieks zijn’, dacht ik toen.

Maken jullie de nummers dan altijd apart? Of schrijven jullie ook samen?

Cedric: We schrijven zeker ook eens samen, maar de aanleiding is wel altijd een idee dat iemand aanbrengt. Soms is dat zelfs iets totaal afgewerkt. Jan en ik hebben nu nummers aangebracht die eigenlijk af waren en die we gewoon nog moesten inkleuren, maar het kan ook zijn dat iemand een sterk idee heeft en dan werken we dat samen af.

Op jullie vorige plaat, Gracias Señor, namen jullie wat gas terug, maar nu is er een nieuw label en maakten jullie Ultra Elektric helemaal zelf. Is er een frisse wind die door The Sore Losers waait?

Jan: Ik denk niet dat we nood hadden aan een frisse wind of dat we vastzaten. Het was wel een duidelijke keuze om terug hardere nummers te maken voor deze plaat. Zeker met het podium in gedachten en met een idee van wat we fijn vonden om live te spelen in ons achterhoofd: ‘Wat zien we ons op een podium doen als het terug mag?’

Jullie speelden nu al een paar shows, hoe vielen die mee? Hebben jullie het gevoel dat jullie in het opzet zijn geslaagd?

Jan: Het was heel fijn! Ik vind deze tour misschien wel een van de leukste die wel al deden. Je voelt dat de mensen goesting hebben en dat de band fris is. De nieuwe nummers werken goed. We vinden het fijn om ze live te spelen en we krijgen goeie reacties van de fans. Dat is leuk, zeker omdat de plaat nog niet uit is.

Cedric: En met vijf platen kan je ook een sjieke setlist maken hé. Er zitten nu zeven nieuwe nummers in de show, wat misschien een beetje een rare keuze is als je plaat nog niet uit is, maar we voelen wel dat het werkt. Mensen pikken het op. Het is niet zo dat de zaal stilvalt als we een nieuw nummer spelen.

Jan: Veel van die nieuwe nummers zijn ook kort. Kort en krachtig.

Jan, je zei ook dat de tekst dan minder uitmaakt. Stak je er nu dan minder moeite in?

Jan: Ik steek moeite in de teksten in de zin van: ik wil niet dat het cliché klinkt. Het is geen Bob Dylan of Leonard Cohen. Ik ben geen poëet die achteraf muziek zet onder zijn gedichten, maar dat betekent niet dat ik geen aandacht aan mijn teksten besteed. Ik ben er eigenlijk redelijk veel mee bezig. Ik schaaf eraan, zodat de tekst goed op de muziek plakt, maar ook zodat het ook wel ergens over gaat.

En je zorgt er ook voor dat mensen kunnen meezingen, want een “Yeah Yeah Yeah” is er eentje om mee te scanderen. Is dat ook iets waar je over nadenkt als je teksten schrijft?

Jan: We hebben eens samengewerkt met Dave Cobb, een producer die Grammy’s gewonnen heeft, dus hij weet waar hij mee bezig is. Hij zei altijd: ‘What is the definitive line?’ Ik heb dat altijd onthouden.

Cedric: Samenwerken met Cobb was een eye-opener. ‘What is the definitive line?’ is een vraag die je aan veel mensen kan stellen. Ook al ben je een megafan van The Rolling Stones, bij “Sympathy for the Devil” onthoud je ook alleen de ‘Pleased to meet you / Hope you guess my name (ooh ooh)’. Niemand kent die tekst helemaal van buiten. Dat is ook niet erg bij rock-‘n-roll, maar het is goud waard als je je vinger kan leggen op die ‘definitive line’. Als je in elk nummer zoiets kan steken… Dat is heel moeilijk, maar Jan kan dat heel goed.

Jan: Het is soms moeilijker om simpel te zijn, dan om cryptische teksten te schrijven. Zo van ‘ik ga niet uitleggen wat de tekst betekent, want…’. Dat kan ik ook doen en daar is niets mis mee, maar ik vind het moeilijker om iets simpels te schrijven, waarvan iedereen weet wat je bedoelt, in plaats van cryptisch te zijn. Mijn vrouw zegt ook altijd tegen mij: ‘Wat voor een tekst hebt gij nu weer geschreven? Ik weet toch niet over wat dat gaat. Wat wilt gij nu gaan optreden? De mensen gaan dat niet begrijpen. Schrijf toch iets wat ze snappen. Mensen willen emoties ervaren.’ (lacht)

Wat maakt dan van een gewoon nummer een goed The Sore Losers-nummer? Welk doel heb je voor ogen als je een nummer maakt?

Jan: Als iedereen zijn sterkte tot zijn recht komt. Als er een drive zit in het nummer. Cedric is een waanzinnige gitarist…

Cedric: …Maar dan nog, ik vind “Amy” een verschrikkelijk goed nummer en daar zit geen solo in. Of ja, toch geen grootse solo. In se willen wij gewoon popnummers maken. Wij zijn gewoon popfans. Dat is de essentie van een garageband. Die ontstaan niet uit het idee van ‘Kom, wij gaan een garageband opstarten’. Nee, dat zijn gewoon gasten die evenzeer als The Beatles een popsong wilde schrijven, maar het geld niet hadden om een dikke studio te huren of het beste materiaal te kopen. Dat klonk allemaal wat ruwer. The Sore Losers heeft ook altijd een goeie song, wij hebben gewoon graag dat het smerig klinkt.

Hoe vinden jullie als ervaren band dat het gesteld is met de rock-‘n-rollscène vandaag de dag?

Cedric: Er zijn genoeg bands die rock-‘n-roll spelen. Dat zal altijd zo zijn, maar ze krijgen minder aandacht van de mainstream media. Dat komt in golven. Nu is er misschien meer aandacht voor hiphop, maar dat verschuift. Als er een nieuwe Nirvana of nieuwe The White Stripes komt, dan krijgt de rockscène weer meer aandacht. Al maakten die bands eigenlijk ook gewoon popsongs. Voor mij is een popsong gewoon een goed nummer met een goed refrein. Ik ben trouwens een paar generaties ouder, dus ik zie popmuziek niet als het genre dat het vandaag is. We laten ook ons vaak inspireren door muziek uit de jaren ’50, ’60 en ’70. Als je in die tijd iets deed, maakt niet uit in werk genre, dan bestond dat uit drums, bas en een gitaar. Er was geen autocorrect of zo… dan was je gewoon een bandje. (lacht)

Zien jullie jezelf ook nog steeds als ‘gewoon een bandje’ of voelen jullie een vorm van druk?

Jan: We vinden het belangrijk om te doen wat wij graag doen, maar ik voel wel druk. Je brengt een plaat uit en je moet jezelf elke keer opnieuw bewijzen. We moeten tickets verkopen voor shows, jezelf afvragen of er interviews en recensies zullen komen rond dat album… Dat is allemaal niet vanzelfsprekend.

Cedric: Wij blijven wel de belangrijkste critici voor onze eigen muziek: ‘Is het goed genoeg?’ Je wil niet weten hoeveel nummers we hebben die het daglicht nooit zullen zien. We hebben een kakmap, een file met demo’s, nummers en ideeën, en die zal intussen wel zo’n honderd nummers bevatten. Waanzinnig veel, want we zijn heel streng voor onszelf.

Jan: En dat zijn dan nog de ideeën die we in de groep durfden gooien! (lacht)

Maken jullie dan nummers voor jezelf of voor de buitenwereld? 

Cedric: Ik in eerste plaats voor mezelf.

Jan: Ik denk ook niet dat je mensen kan bereiken als je iets maakt dat je zelf niet sjiek vindt.

Cedric: Dan hadden we deze plaat ook niet gemaakt. Dan hadden we een gemakkelijkere plaat gemaakt. In de zin van: ‘Wat is hip?’ Dan hadden we iets meer richting Royal Blood geneigd, want dat is de rock die tegenwoordig wel populair is. Met wat meer elektrotoestanden en zo. Dat hebben we niet gedaan. Zo’n band wil ik ook niet zijn, zo eentje die een trein ziet vertrekken en denkt: ‘Daar moeten we opspringen.’ Dat hebben we nooit gedaan, en misschien is dat ook wel de reden waarom we nooit extreem succesvol zijn geweest.

Is dat ook een van de redenen waarom je het album nu helemaal alleen hebt gemaakt? Zodat jullie eigen ideeën meer tot hun uiting kunnen komen?

Cedric: We hadden daar vooral heel veel zin in. We hebben al met heel veel producers samengewerkt en ook van iedereen heel veel bijgeleerd. Daarom dachten we: ‘Als we nu al die dingen die we geleerd hebben eens op een hoop gooien en gewoon kijken hoe ver we komen.’ Voor hetzelfde geld was dat niet gelukt.

Jan: We hadden er wel een beetje schrik voor om het zelf te doen, maar uiteindelijk is het supergoed gegaan. Ik vond het heel fijn. Het is gebleken dat we echt wel een goed team zijn, ook op dat vlak. We wisten van het touren dat we goed met elkaar overweg konden, maar om nu zonder een producer alles in eigen hand houden…

Cedric: We konden ook veel beter de kritiek en opmerkingen van elkaar verdragen. Als je met vier man in een studio staat en er een producer, die buiten de band staat, een opmerking geeft, dan is die opmerking voor de hele band. Terwijl een van de andere bandleden mij gerichter kon sturen. Eigenlijk is het echt van een leien dakje gelopen. Daar stond ik van te kijken.

Jan: Iedereen was ook even hard betrokken. Iedereen ging ervoor. Dat was heel fijn. Op die manier was het misschien wel een frisse wind, iets nieuws voor ons.

Hoe zou je Ultra Elektric nu het af is, omschrijven in één zin? 

Cedric: Ik hoop altijd dat mensen kunnen kijken doorheen alles wat we zijn en doen, en echt horen dat we in eerste plaats songwriters zijn en geen riffmakers. Dat we songs altijd voorop hebben gezet en niet de ene riff na de andere knallen en er gewoon wat overheen roepen. We werken het hardste aan het schrijven van de song, ook al zijn ze soms super simpel. Ik hoop dat zoiets geapprecieerd wordt.

Jan: Ik vind het moeilijker om een antwoord te geven eigenlijk.

Cedric: Kijk, soms zijn er reviews, zowel live als van een plaat, waarin gezegd wordt: ‘Weer een waanzinnige gitaarsolo van Cedric.’ Natuurlijk ben ik dan trots, maar aan de andere kant denk ik dan: ‘Dat is op zich niet zo heel moeilijk. Dat kan je gewoon leren door bepaalde lessen te volgen.’ Een goed nummer vind ik nog altijd een ander verhaal.

Jan: Nu vind ik wel dat je jezelf tekort doet. Wat jij doet op een gitaar, dat kan je niet ‘zomaar’ leren. Ook in je gitaarspel doe je eigenlijk aan songwriting.

Cedric: Ik ben heel geflatteerd dat je dat nu zegt, maar ik vind de nummers schrijven belangrijker.

Jan: Het zou inderdaad wel fijn zijn als mensen zeggen dat we wel een liedje kunnen schrijven. Als we ooit moeten terugkijken op ons leven en de mensen dan van ons zeggen: ‘Ja, The Sore Losers was eigenlijk wel een harde rockband, maar die mannen maakten wel goeie liedjes.’

Cedric: Er zijn heel veel rockbands die niet zo’n goeie liedjes schrijven, maar die het wel halen omdat die bijvoorbeeld een goeie sound hebben, technisch heel goed kunnen spelen of een grootse show hebben. Die bestaan en daar is niets mis mee.

Jan: Of ze spelen echt gewoon iets anders na. Bijvoorbeeld dat je al van een kilometer op voorhand voelt aankomen wat het volgende akkoord is of welk woord zal rijmen op het vorige.

Cedric: Dus ja. Dat. (lacht)

Het is op Ultra Elektric ook niet het geval dat jullie jezelf herhalen. Zonder de klassieke The Sore Losers-sound te verraden blijven jullie toch andere oorden opzoeken.

Jan: Het is heel fijn om zulke dingen te horen van mensen die komen kijken naar shows.

Cedric: Te gek, inderdaad! Zulke dingen horen we ook wel vaker. Een paar jaar geleden moesten we bijvoorbeeld op Pukkelpop optreden en een hele goeie vriend van Kevin, onze bassist, is journalist. Hij stuurde een paar uur voor de show een screenshot uit een Whatsapp-groepje vol journalisten, met daarin de vraag: ‘Wie gaat er naar The Sore Losers kijken straks?’ Alle reacties waren als volgt: ‘Bestaan die nog?’, ‘Dat gaat toch maar weer hetzelfde zijn’ en ‘Misschien toch maar eens even kijken of er iets interessants gebeurt.’ Als je dat een paar uur voor de show leest, dan heb je er al geen zin meer in. Een paar uur later stuurde diezelfde journalist ons opnieuw een screenshot en zei iedereen in die groep dingen als ‘Fuck, dat was wel weer fenomenaal goed’. Journalisten denken vaak dat ze weten wat ze kunnen verwachten: een rockbandje met twee gitaren, who gives a shit. Ik ben blij dat jij ook zegt dat, als je ons de kans geeft, we nog wel verrassend uit de hoek kunnen komen. Dat komt omdat we aandacht geven aan goeie nummers en niet aan clichés. Jan blijft niet in de coulissen plakken en ik hoef mijn gitaar niet in vuur te steken en van die toestanden. Het draait bij ons om de muziek.

Jan: Je moet het voor jezelf ook plezant en inspirerend houden. Wij zijn daar ook echt mee bezig in ons repetitiekot. We willen de mensen die een ticket kopen waar voor hun geld geven, zonder onszelf te verkopen of zonder dingen te doen waar we zelf geen zin in hebben. Dat is een beetje een spanningsveld opzoeken: hoe kunnen we een setlist maken die wij graag spelen, maar ook de interactie tussen band en publiek draaiende houden.

Wat is het verhaal rond de tijger op de albumcover? Want je hebt er ook eentje op je arm getatoeëerd Cedric.

Cedric: Dat is een panter he jong! (lacht) Ik ben ouder he. Toen Jan en ik nog naar de bibliotheek moesten om een plaat te huren, kon je die niet op voorhand op het internet opzoeken om eens even te luisteren hoe die klonk. De hoes moet een beetje uitbeelden hoe de plaat klinkt. Als je die tijger ziet, dan spreekt dat voor zich. Een rockplaat.

Jan: Dat is ook zo bij de muziek. We maken muziek die we zelf cool vinden, we willen een hoes hebben die er leuk uit ziet.

Cedric: Dat is ook niet gefaket. Ik heb bijvoorbeeld van die mottige oude flashtattoos. Ik zet die niet om stijl te maken. Toen wij daar mee begonnen, was dat toch niet zo. (lacht) Wij zien zulke tekeningen graag. Ik zou de albumcover zelfs op mijn rug willen tatoeëren. Dat is toch te gek! Op vlak van imago is dat ook leuk. Onze backdrop nu is geweldig. Als je beelden ziet van die doodskop van Motörhead of The Ramones met hun ogen en baseballknuppels. Dat is een stijl die ik altijd heel sjiek heb gevonden binnen de popcultuur. Dat heeft tegelijkertijd ook iets luchtigs, we nemen onszelf niet superserieus. Het is geen logo met anagrammen die ergens voor staan. Het is gewoon rock-‘n-roll.

Wat is volgens jullie de beste setting om de plaat te beluisteren?

Cedric: Ik vind altijd dat een plaat dient om naar te luisteren. Een plaat is als een film voor mij. Ik ken niemand die een film opzet om dan de afwas te doen of te gaan stofzuigen. Je gaat zitten en je kijkt naar de film. Een plaat kan gerust op dezelfde manier beleefd worden: gewoon zitten en luisteren. Ik doe dat zelf heel graag, want dan hoor ik tien keer meer dan als ze ergens op de achtergrond opstaat. Of luid in de auto, dat kan ook. Ze moet binnenkomen.

Wat mag het publiek verwachten van de clubtour nu? 

Jan: We gaan een hele goeie rockshow in elkaar steken met materiaal van vijf platen. Natuurlijk veel nummers van het nieuwe album, want dat leent zich ertoe om live gehoord te worden. Ik zou zeggen dat we nog nooit zo goed gespeeld hebben als nu. We amuseren ons ook heel erg goed.

Cedric: Een goeie, eerlijke rock-‘n-rollshow waarbij je je kan amuseren. We zijn niet bezig met de zware kant van het leven. Die is er, maar het is niet onze taak om die te vertellen. Goeie oude plezante shows. Eentje waarin gelachen mag worden. We zijn niet heel serieus. We hebben er in elk geval veel zin in.

Jan: We willen nu terug kort bij de mensen staan, vandaar ook kleine shows.

Cedric: Als we in de grote zaal van de Ancienne Belgique hadden gespeeld, was er misschien minder nood aan meer shows. Veel grote bands spelen een keer voor veel mensen, maar wij houden onze shows liever kleiner zodat we meer kunnen spelen. Als ze morgen zouden afkomen met de vraag: ‘Je kan kiezen tussen een uitverkocht Sportpaleis of jullie mogen honderd keer spelen voor 400 man’, dan kiest de volledige band unaniem meteen dat voor laatste. Ook al kan je dan een uitverkocht Sportpaleis op je naam schrijven en zal iedereen daar extatisch over zijn, wij willen gewoon spelen. Enkele jaren geleden vroeg een journalist mij op Pinkpop of het geen pijn deed dat jonge gasten als Bazart het Sportpaleis uitverkochten en wij niet. Onze bassist antwoordde toen heel gevat dat hij wel in een band zat waarin hij wilde spelen. Als wij een plaat maken en wij die godverdomme maar één keer in het Sportpaleis en misschien nog eens op Werchter mogen brengen, dan hebben wij maar twee shows gespeeld… Wij willen godverdomme spelen, dat is het fijnste wat er is! Ik veroordeel Bazart trouwens helemaal niet, maar wij zijn gewoon zo. Mensen leren kennen, ervaring opdoen… Hoe meer je speelt, hoe beter je wordt.

Jan: En ik ga zelf ook niet graag naar grote concerten. Ik vind een concertje met tweehonderd mensen echt perfect. Laag podium, dichtbij de band, een frisse pint… zo zijn wij opgegroeid. Voor sommige bands kan dat gewoonweg niet anders, maar het liefste doe ik zulke concerten. Ook als ik op het podium sta.

Het nieuwe album van The Sore Losers, Ultra Elektric, verschijnt op 22 oktober. Waar de Limburgers hun nieuwe muziek precies zullen voorstellen, vind je op hun website.

Facebook / Instagram

1059 posts

About author
't is oke.
Articles
Dit vind je misschien ook leuk:
AlbumsFeatured albumsRecensies

The Sore Losers - Ultra Elektric (★★★½): Vlam in de pan

Er zijn weinig Belgische bands die in hetzelfde hokje te plaatsen vallen als The Sore Losers, laat staan dat ze de tand…
InstagramLiveRecensies

The Sore Losers @ Ancienne Belgique (AB Club): Rock on, losers!

Sinds enkele weken is er uit het verre Limburg weer een storm komen opdraven. Bliksemschichten worden afgewisseld met snedige gitaarsolo’s en grootse…
Nieuwe singlesOude Bekenden

Nieuwe single The Sore Losers - "Birds of a Feather"

Binnen een dikke maand is het eindelijk zover, want dan brengt The Sore Losers die langverwachte vijfde plaat uit. Op Ultra Elektric zullen de…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.