Muzieksnobisme is iets dat, hoe cliché het ook klinkt, altijd zal bestaan. Maar waar tegelijkertijd ook maar moeilijk een lijn door kan getrokken worden. Mumford & Sons was een vijftiental jaar geleden namelijk nog de band waar elke muziekliefhebber veel van verwachtte, nu zou je wat kort door de bocht kunnen zeggen dat het niet per se cool is toe te geven dat je er fan van bent. Hoe dat precies komt, is iets dat de Britten ergens ook wel een beetje zelf in de hand hebben. Sigh No More en in iets mindere mate Babel waren simpelweg goeie countryfolkplaten. Later werd aan dat recept wat elektronica (Wilder Mind), pop en pathos (Delta) en uiteindelijk een iets te hoge dosis radiohitpotentieel (RUSHMERE) toegevoegd. Maar goed, iedereen doet wat-ie wil, zeker in het geval van Mumford & Sons. Het genre waarin Marcus Mumford en zijn gevolg zich bevinden, is dankzij onder meer Noah Kahan, Gracie Abrams en Taylor Swift plots populairder dan ooit tevoren, dus waarom niet mee op de kar springen?
Je merkt dus misschien ook hier wel een ietwat negatievere ondertoon rond de jongens, maar laat duidelijk zijn dat ze altijd een speciaal plekje in ons hart zullen dragen. Mumford & Sons stond voor ondergetekende bijvoorbeeld voor een van de allereerste niet-Studio 100-gerelateerde concertervaringen, en ook op Rock Werchter 2023 werden er herinneringen voor het leven gemaakt op “I Will Wait“. De vraag is in deze dus vooral of het intussen drietal met zijn fans kan meegroeien, of dat het zich richt op nieuwe paden en het verbreden van de horizonten. Om dus nogmaals te onderstrepen dat recensies op sites als Dansende Beren vooral subjectief zijn, en vooral geschreven worden uit liefde voor muziek. Dat gezegd zijnde was er iets dat meteen hoopgevend was inzake deze nieuwe Prizefighter: Mumford & Sons lijkt zijn nieuwe ik volledig te hebben omarmd.
Voor de productie werd er gerekend op The National-gitarist Aaron Dessner; de man die wel iets te maken heeft met élk indiefolkpopnummer dat je de afgelopen twee-drie jaar op de radio hoorde passeren. Daarnaast een reeks samenwerkingen die perfect binnen bovenstaand kader passen: Gracie Abrams, Hozier, Gigi Perez, Brandi Carlile en Chris Stapleton. Waar RUSHMERE dus werd aangekondigd als ‘de terugkeer naar de roots’, om dan uiteindelijk wat teleur te stellen door zich vooral te richten op de makkelijke toegankelijkheid, komen we op Prizefighter ietsje minder bedrogen uit. De singles leerden ons namelijk al dat Mumford & Sons eigenlijk vooral datgene blijft doen waar het al jaren zijn vaste beroep van heeft gemaakt: brave countrypop maken.
“Rubber Band Man” met Hozier was daarin eigenlijk al meteen het ideale voorbeeld; de Britten deden in de leadsingle van Prizefighter niets dat ze nog nooit hadden gedaan – laat staan dat ze nog maar in de buurt kwamen van buiten de lijntjes te kleuren. Wat is het dan wel? Een logische som van de delen die gewoon makkelijk in het gehoor ligt. Voor “The Banjo Song” maakt Mumford & Sons het ons zelfs heel makkelijk: de review schrijft zichzelf. Het is allemaal aangenaam en het ligt zeker behoorlijk makkelijk in het gehoor, maar we blijven toch nog iets te vaak wachten tot er effectief iets gebeurt. “Here” met Chris Stapleton is als opener zeker geen verkeerd nummer en brengt het beste van het Verenigd Koninkrijk en de iets minder Verenigde Staten samen, maar mist iets om de emotie echt over te brengen.
Zeker de eerste helft van Prizefighter kampt een beetje met dat probleem… het kabbelt allemaal heel gezellig binnen de grenzen die Mumford & Sons doorheen de jaren heeft uitgezet, maar er mist een beetje vernuft; iets dat ervoor zorgt dat het niet vergeetbaar is binnen de paar minuten. “Conversation With My Son (Gangsters & Angels)” bloeit daarin wel nog groots open in dramatiek, terwijl “Alleycat” aanvoelt als een mijmerend vlammetje in de winter… maar echt opwarmen doet het niet. Het is namelijk pas vanaf de titeltrack dat er echt schot in de zaak komt. Een knipoog naar iets Bon Iver-achtig zorgt ervoor dat “Begin Again” effectief een soort tweede adem wordt. Als Mumford & Sons dan toch deze vorm wil omarmen, dan is dit de manier waarop we ze het liefst horen.
Een tweeluik met “Stay” en “Badlands” is daarin niet veel later misschien zelfs een nog veel beter voorbeeld. Waar die eerste het midden vindt tussen opzwepend en rakend, is het in die andere de combinatie tussen Mumfords stem en die van Gracie Abrams. Het is overigens ook daar dat de magie die we in het grootste deel van Prizefighter misten, zich schuil in lijkt te houden. Het jammere is echter dat, zo plots die opdook, zo plots die ook terug met de noorderzon verdwijnt. Afsluitend duo “I’ll Tell You Everything” / “Clover” kabbelt en twinkelt bijvoorbeeld terug weinig speciaal richting een aangenaam geluid, maar is daarom ook eens te meer weinig memorabel.
Het is op Prizefighter voor de duidelijkheid dus nooit slecht wat Mumford & Sons op de mat brengt, maar het wordt ook niet heel vaak meer dan gewoon aangenaam. Wat wel goed nieuws is, is dat de band deze ingesteldheid wel heeft omarmd. Het hoeft allemaal niet meer te moeilijk of te speciaal te zijn – als het maar toegankelijk is en er een zekere commercialiteit in zit. Dat laatste in die zin dat de Britten tegenwoordig dus hetzelfde publiek proberen aan te speken als onder meer Gracie Abrams, Hozier, Noah Kahan… en dat ze er alles aan proberen te doen om ook op die golf mee te surfen. Da’s een keuze die je maakt, en eentje die vaker grijze keuzes oplevert dan eentje die een kleur nadrukkelijk uitspreekt. En dus worden daar op Prizefighter soms vruchten van geplukt en vaak de kat wat uit de vruchtenboom wordt gekeken. Aangenaam is het altijd, maar dat is terrasje op zondagnamiddag ook; maar ook dat is daarom niet elke week memorabel.
Mumford & Sons sluit op donderdag 2 juli de Main Stage van Rock Werchter af.
Facebook / Instagram / Website
Ontdek “Stay”, ons favoriete nummer van Prizefighter in onze Plaatje van de Plaat-playlist op Spotify.






