Het muziekjaar 1990 had verschillende kenmerken. Er was de internationale doorbraak van de Belgische trots Technotronic en de opkomst van de leeghoofdige Eurodance. Verder kwamen in Amerika de eerste grungebands boven water en vertoefde hiphop niet langer in de underground. In dit diverse muzikale klimaat dook plots een band op uit Atlanta, Georgia die de klok parmantig terugdraaide naar de jaren zeventig. Hun debuutalbum Shake Your Money Maker bleek niet alleen een gouden combinatie van vroege Aerosmith, Faces en The Rolling Stones, maar blonk ook uit door een waanzinnig energieke voordracht. Dat konden we trouwens zelf in levende lijve aanschouwen tijdens hun Europese vuurdoop op Pinkpop in juni van datzelfde jaar. De dag erna speelden ze in Amsterdam ook nog even concertzaal Paradiso plat om vervolgens wereldwijd de hitparades te bestormen. Opvolger The Southern Harmony and Musical Companion (1992) was zo mogelijk nog beter en verfijnder. Niet in het minst door prijsbeesten als “Remedy” en “Thorn in My Pride”.
Daarna werden de platen nogal wisselvallig. Dat ging van aardig (Amorica (1994)) over verdienstelijk (Before the Frost…Until the Freeze (2009)) tot ronduit erbarmelijk (By Your Side (1999) en Lions (2001)). De enige constante in hun markante loopbaan is altijd de tweestrijd geweest tussen het broederpaar Robinson. Met aan de ene kant de sympathieke vogelverschrikker/zanger Chris en aan de andere zijde de enorm getalenteerde maar uiterst koppige gitarist Rich. Die ongenuanceerde dualiteit zorgde er bovendien voor dat er weinig andere bandleden mee aan boord bleven. Vooral het vertrek van drummer Steve Gorman in 2015 zindert nog steeds na. Lees er in dat opzicht zeker eens zijn biografie Hard To Handle, The Life and Death of the Black Crowes (2019) op na. De fervente ruzie tussen de Robinsons hield de band vijftien jaar lang uit de studio (als we het akoestische Croweology (2010) tenminste even niet meetellen). Tot plots tot eenieders verbazing de strijdbijl werd begraven met de release van Happiness Bastards (2024).
Opgenomen in Nashville in een tot studio omgebouwde kerk en geproducet door Jay Joyce (Eric Church, Whiskey Myers) was het een triomfantelijke terugkeer. Snedig, spontaan en tijdloos zonder franje. A Pound of Feathers die op dezelfde manier werd geregistreerd, klinkt zo mogelijk nog meer live dan zijn voorganger. Het hele proces duurde dan ook amper tien dagen. Joyce concentreerde zich vooral op de oneindige riffs en solo’s die Rich Robinson hier als wonderlijke weggeefsnoep rondstrooit. Gezien zijn tumultueus verleden met andere gitaristen in de band (denk aan de jaloerse verwijten richting ex-handlangers Marc Ford en Audley Freed), is het geen verrassing dat huidig toergitarist Nico Bereciartua thuis in Argentinië mocht blijven. En ook vaste bassist Sven Pipien hoefde niet op te dagen. Rich speelt immers alle bas- en gitaarpartijen doodleuk zelf. Enkel drummer Cully Symington en toetsenist Eric Deutsch mogen opdraven. Het dient gezegd dat dit meer dan voortreffelijk uitpakt. Soms klinkt hij als zuivere Keith Richards op opener “Profane Prophecy”. Dan weer komt de magistrale slidegitaar van Duane Allman weer tot leven op het slepende “Pharmacy Chronicles”, een waanzinnige terugblik op een verleden vol drank en drugs. Een echte wereldsong tout court.
“High & Lonesome” is verwaarloosbaar. Opgesmukt met een verdwaalde viool wordt het niet meer dan een vreemde pastiche van The Doors, Queens of the Stone Age en zelfs Neil Diamond. Maar Chris Robinson beschikt echter nog steeds over een aparte strot met punky attitude en rockers “Do the Parasite!” en vooral “It’s Like That” zijn dan ook navenant nerveus en opruiend. Doorleefd schitteren doet hij op het veel te korte “Queen of the B-sides”, wat ons betreft een verborgen ode aan countrylegende Gram Parsons. Op “You Call This a Good Time?” valt alles perfect op zijn plaats. Rich Robinson tovert hier een sexy combo van sleazy Stones en originele AC/DC te voorschijn. Tekstueel vat de song zowat heel het album samen. ‘Cocaine, milk, and aspirin, sweet vermouth and silver chains, well, if you don’t mind me asking were you on the list, or did you pay?’
Een ongegeneerde terugblik naar een tijd waarin bands ietwat naïef losbandigheid hoog in het vaandel droegen. Van “Eros Blues” en “Doomsday Doggerel” zijn we minder overtuigd. Hier had iemand even moeten bedenken dat van Led Zeppelin houden nog niet wil zeggen dat je ook zo kan klinken. Gezien hun onvergetelijke livealbum Live at the Greek uit 2000 met Jimmy Page toch een beetje een blamage. Na zesendertig jaar in de studio klinkt The Black Crowes nog altijd als toen het begon. Hongerig naar rock-‘n-roll en gemarineerd in Southern soul. Gevrijwaard van discussies over erfgoed en dollars beleven de broers Robinson hun eigen ‘Noel en Liam’-moment’. Een onverhoopte, klassevolle wederopstanding. Het komt het spelplezier op hun tiende album adequaat ten goede. De analoge warmte die de eerste Crowes-platen zo kenmerkte is weliswaar ingeruild voor een soms gecomprimeerd geluid maar het mag de rauwe pret niet bederven. Het maakt van A Pound of Feathers een meer dan verdienstelijk hoogtepunt in hun discografie. Zoals Chris zingt in “Pharmacy Chronicles”: ‘Well, it’s lost that they remember, perfume, champagne and sin, oh, the good times never end’.
The Black Crowes staat in het OLT Rivierenhof te Deurne op 28 juni
Ontdek “Pharmacy Chronicles”, ons favoriete nummer van A Pound of Feathers in onze Plaatje van de Plaat-playlist op Spotify.







Een dikke stinker, deze band is het kwijt.