
Al sinds het begin van deze eeuw bewijst The Black Keys dat een gitaar, een drumstel en een gezonde dosis rauwe energie genoeg factoren zijn om bluesrock meermaals nieuw leven in te blazen, met occasioneel wat zijpaden die worden bewandeld. Van eerder obscure keldermuzikanten groeiden Dan Auerbach (gitaar en zang) en Patrick Carney (drums) uit tot festivalheadliners die de setlist moreel verplicht opvullen met knijters als “Howlin’ For You”, “Gold on the Ceiling”, “Next Girl” en uiteraard “Lonely Boy” – nummers die ook tijdens hun set op Cactusfestival vorige maand terug te vinden waren.
Dat ze in het Brugse Minnewaterpark eerder een ingestudeerde vertoning uit de mouwen schudden, staat niet in de weg dat ze met de regelmaat van de klok nieuw materiaal uitbrengen waarbij nog steeds geëxperimenteerd wordt. Vandaag zetten ze met No Rain, No Flowers al hun dertiende studioalbum in de platenkast. Hits waarvan de modale mens de titel niet kent maar het refrein met gemak kan scanderen, zijn eigenlijk al een goeie tien jaar niet meer te vinden in de muziektrommel van het Amerikaanse duo. Kwaliteit is daarentegen altijd een factor die ze in het vaandel dragen, weliswaar op wisselende hoogtes.
De toon wordt meteen op de melancholische stand gezet met openingsnummer “No Rain, No Flowers”. Terwijl drums en gitaar afwisselend de muzikale hoofdrol toebedeeld krijgen, is er een bepaalde tristesse voelbaar in de melancholie die Auerbach teweegbrengt met zijn gezang, waar op een inventieve wijze gespeeld wordt met ritme en melodie. Het is niet het enige nummer waar emotie een van de ingrediënten is, daar getuigt “Down to Nothing” van. Waar de eerste verzen ons doen terugdenken aan platen Attack & Release en Brothers, brengt het refrein zowel een stevige klodder blues als enige vernieuwing – kortom een best interessante song, niet meer en niet minder.
Die rode (in dit geval zwarte) draad kunnen we doortrekken tot bij de meeste songs op de plaat. “Make You Mine” start als een nummer waarvan er tig bestaan, ook binnen de catalogus van The Black Keys, maar krijgt vanaf het refrein alsnog een andere wending. Piano als figuurlijke eerste viool (tot er later effectieve violen aan te pas komen), feeërieke bar chimes als belangrijkste ondertoon en op de rake momenten extra stemmen: pop meets rock meets blues meets dat sprankeltje symfonie. Chef’s kiss!
Ook bij “The Night Before” en “Man on a Mission” schreven we eerder al lovende woorden die we graag bevestigen. Het eerste is een poppy rocknummer waarbij de dansbenen zeker hun ding mogen doen; ongecompliceerd en uiterst vermakelijk, zo hebben we het graag. “Man on a Mission” is dan weer een vette bluesrockschijf die opent met rauwe gitaar en pompende drums – een eerste indruk die je meteen vertelt waar het op staat. Het etiketje met de naam van de band zit er met Tec7 op vastgekleefd, wat voor dit nummer enkel een compliment is. Vernieuwend? Weinig. Lekker? Enorm.
Toch is er één nummer dat vrij ferm afwijkt van de rest: “Babygirl”, de vreemde eend in de bijt, die meteen een van de betere, zo niet het beste nummer is op No Rain, No Flowers. De gitaar krijgt (eerder uitzonderlijk) geen prominente plek, maar is wel van belang bij de interessante pianotoetsen die met hun macabere ondertoon tot een toffe meezinger worden gevormd. De tekst is gelaagd, wat inhoud en intonatie betreft, waardoor het snel in de gehoorbeentjes vast zit en er maar moeilijk uit te wurmen is – en terecht.
Helaas kan de zang niet bij ieder nummer overtuigen. Hoewel het stemgeluid van frontman Auerbach al ettelijke jaren omarmd wordt, ontbreekt het op No Rain, No Flowers aan pit. Soms een beetje, soms best veel. Zo vertoeft zijn typische toon tijdens “On Repeat” op een eerder gemakzuchtig level, zowel tijdens strofes als refrein, waardoor er op meer momenten dan we zouden willen weinig interessants te vinden is in wat er gezonden wordt. Ook op bijvoorbeeld “Kiss It” (dat an sich een vrolijk nummer is dankzij de instrumentatie) en “A Little Too High” maken we dezelfde vaststelling. Dat de focus daardoor vooral ligt op het muzikale – een aspect dat trouwens on point is over de hele plaat heen – is mooi meegenomen, maar in een bepaald opzicht ook jammer.
Dat gezegd zijnde, kunnen we de eindbalans opmaken. The Black Keys is een band die altijd iets nieuws probeert, maar ook vasthoudt aan de grootste gemene deler in hun discografie. De hoofdrol van No Rain, No Flowers is weggelegd voor de melancholie die in quasi ieder nummer terug te vinden is, met hier en daar een verrassend macaber kantje als extraatje. Het zijn dan ook die nummers die blijven hangen, gezien ze net boven de rest uitsteken. Dat het duo op dit elan vrij ver wegblijft van hun periode met instant hits, is zelfs een pluspunt. De focus ligt voor hen op creatie in functie van de kunst, de genres en de goesting, niet op het plezieren van het grootste aantal mensen. Laat dat nog de fermste sterkte zijn van The Black Keys, dat in tegenstelling tot wat de titel van dit album doet vermoeden, nog lang niet ten dode opgeschreven is.
Facebook / Instagram / Website
Ontdek “Make You Mine”, ons favoriete nummer van No Rain, No Flowers in onze Plaatje van de Plaat-playlist op Spotify.






