AlbumsFeatured albumsRecensies

Albumreviews: Beire Kort #47

Het aantal albums dat wekelijks verschijnt, is meedogenloos groot. Daarom is het onmogelijk om alles binnen de correcte tijdspanne van een degelijke review te voorzien. Gelukkig hebben we daarvoor een oplossing ontwikkeld in de vorm van ‘Beire Kort’. Reviews van in de voorbije jaar verschenen albums of ep’s die we nog niet recenseerden, vinden hier een plaats. Deze extra lange editie is alweer de vierde en tevens laatste van het jaar 2024, waarbij we dit keer aandacht schenken aan onder meer de nieuwe werken van Wayne Graham, Tessa Dixson en Body Count.

Tessa Dixson – i thought i was dreaming but it was just a glitch (★★★)

Vaak kan een talentenjacht een kickstart voor een grote carrière zijn, maar soms verdwijnt een artiest helemaal uit de schijnwerpers. Tessa Dixson werd kind van de coronacrisisrekening en probeert nu haar carrière te herlanceren, door bijvoorbeeld ep I thought i was dreaming but it was just a glitch. Op die kortspeler krijgen we een shift van haar vroegere meer toegankelijke indiepop richting meer hyperpop- en elektrotrance-achtige oorden, en voor wat het is, mag dat er zeker zijn. Nadeel is uiteindelijk wel dat het allemaal wat moeilijker is gaan klinken en Tessa Dixson hoogstwaarschijnlijk een minder groot publiek zal bereiken dan voordien. Nummers als “Highspeed Crash” en “Way Back” hebben wel een zekere hitgevoeligheid, maar het edgy randje dat de Brusselse aan I thought i was dreaming but it was just a glitch toevoegde, weegt net iets te veel door om in het opzet te slagen. Tessa Dixson zal met deze ep dus vooral een ander soort publiek aanspreken, in plaats van een groter.

Sofía Valdés – Sofía Valdés (★★★)

Al van bij haar debuutsingle was het duidelijk dat Sofía Valdés een artieste was die we in de gaten moesten houden. De jonge artieste wist in de paar jaar die ze nu bezig is wel wat populariteit te vergaren, maar echt groots doorbreken zat er vooralsnog niet in. Met haar zelfgetitelde debuutplaat wordt ergens ook wel duidelijk waarom dat zo is: de Panamese mikt niet per se op toegankelijkheid of hitgevoelige nummers, maar vooral op het uitdiepen van haar eigen sound. Daarin komen vooral dromerige, zonnige invloeden uit haar thuisland aan bod – rustgevende gitaarliedjes kleuren de plaat, terwijl de zeemzoete stem van Sofía zelf je als een zacht dekentje geruststelt. Een album dat kan gelden als de perfecte achtergrondmuziek bij een namiddagje op het strand, maar waarvan tegelijkertijd geen enkel nummer zich kan onderscheiden van zijn voorganger. Een fijn project, maar eentje dat helaas zal opgaan in de massa.

Wayne Graham – Bastion (★★★★)

Dit is alweer het negende album van deze veelzijdige band uit Kentucky en het eerste sinds ISH uit 2022. Maar het kwartet onder leiding van de twee broers Kenny en Hayden Miles maakt voor de eerste keer voortvarend gebruik van electronische snufjes om hun traditionele americana pittiger af te kruiden. Gezien hun eerder conservatieve, religieuze opvoeding gaan hun teksten meestal over het worstelen met een identiteitscrisis in de steeds meer gepolariseerde Verenigde Staten. Dat levert melodierijke hoogstandjes op als “We could’ve been Friends” en “All the Way” waarin zowel LCD Soundsystem als Wilco mondjesmaat mee over het muurtje kijken. Verder horen we ook wat flarden jazz in “The Patsy” en “I Had Plans”. Dat neemt niet weg dat met het slepende “Shoot Me” en de euforische afsluiter “Swingin’ Round” ook de fans van The Band en Neil Young best tevreden zullen zijn. Bastion is een ronduit verrassend en mooi album dat eigenlijk niet over het hoofd mag worden gezien.

MC5 – Heavy Lifting (★★★)

Heavy Lifting is het eerste studioalbum van MC5 sinds de jaren zeventig. In de korte periode van 1969 tot 1972 bracht de band drie albums uit: de liveopname Kick Out the Jams, Back in the USA en High Time. Bijzonder is dat deze nieuwe plaat na een hiaat van vijf decennia meteen ook het ultieme werk van de band zal zijn. Dit voorjaar stierven de laatste leden van MC5 op de gezegende leeftijd van 75 jaar: gitarist Wayne Kramer verliet ons in februari en drummer Dennis Thompson volgde hem in mei. De activistische band uit Lincoln Park in Michigan inspireerde de jongere generaties. Getuige daarvan zijn de vele gasten die meespelen op Heavy Lifting. We waren dit voorjaar weinig enthousiast over de single “Boys Who Play With Matches“, maar de gastmuzikanten tillen enkele songs naar een hoger niveau waardoor ze gemakkelijk boven het maaiveld uitsteken. We herkennen het gitaarspel van Rage Against The Machine’s Tom Morello op de opener “Heavy Lifting” en van Living Colours Vernon Reid op “Can’t Be Found”. Ook het energieke “Barbarians at the Gate” en “The Edge of the Switchblade” met Guns and Roses’ Slash blijven hangen. Op sommige nummers wordt geëxperimenteerd met een geluid dat niet past bij de nalatenschap van MC5. Het voorlaatste nummer “Blessed Release” is op dat vlak een dieptepunt dat deels wordt goedgemaakt door de funky afsluiter “Hit It Hard”. Na enkele luisterbeurten klinkt Heavy Lifting niet echt als een plaat van MC5, maar als een onderonsje van wijlen Wayne Kramer en vrienden. Producer Bob Ezrin die voor legendes als Lou Reed, Alice Cooper en Pink Floyd achter de knoppen zat, leverde in zijn lange carrière sterkere platen af. Toch is dit een behoorlijke plaat geworden waarvan vele jonge rockers zouden dromen.

Gavin Friday – Ecce Homo (★★★)

Gavin Friday is geen Engelsman, maar een Ier die in de jaren tachtig in het alternatieve new wavecircuit furore maakte als bandleider van The Virgin Prunes. Tussen 1989 en 2024 maakte de man ook al zeven soloplaten waar steeds meerdere jaren interval tussen zaten. Friday doet gewoon zijn eigen ding en vooral wanneer hij het zelf wilt. Op opener “Lovesubzero” klinkt de man heerlijk gothic en dat in combinatie met wat bijna een discotune is. Dat is de constante op deze plaat: opvallend dansbare muziek die niet zou misstaan hebben in een club zoals Studio 54. Op nummers zoals “The Church Of Love” klinkt de man zelfs enigszins zoals O.M.D. Het is gewoon heel coole muziek die in de jaren tachtig ongetwijfeld grote potten had gebroken. Anno 2024 is hét momentum uiteraard al decennia voorbij, maar dat moet dit soort artiesten er helemaal niet van weerhouden om die sound nog eens op de voorgrond te duwen. Voor ons gaat de artiest minder goed om met zijn tragere nummers, maar op zich is dat maar kritiek vanop de zijlijn. We vinden de performer gewoon beter wanneer er een boel harde synths aangesloten zijn. Er staan dus een aantal mindere nummers op het album, maar het grootste deel zijn songs gecomponeerd door een man die nog steeds visie en creativiteit uitstraalt. De hoes is hiervan ook een meer dan afdoende bewijs. De zanger-componist is nu 65 jaar, maar dat is in dit geval echt gewoon een onnozel, onschuldig getal!

Sex Swing – Golden Triangle (★★★)

Een ‘sex swing’ kregen we niet van papa en mama, maar we hadden wel een sportraam in onze kamer aan de muur vastgenageld. Jammer genoeg hebben we nooit een lenige partner gevonden en bleef het gewoon bij fantaseren. Een mens kan niet alles hebben. Wat we wel hebben gedaan ooit is een reis maken naar de ‘Gouden Driehoek’, gelegen tussen Laos, Thailand en Myanmar. We herkenden in een enkele oogopslag de titels van de nummers die Sex Swing uit Londen op zijn nieuwe plaat heeft gedropt. We trokken rare ogen toen we de plaat een eerste keer beluisterden. Opener “The Confluence Of The Ruak And The Mekong Rivers” is een zachte, boeddhistische schijf geworden waar zelfs klankschalen niet worden geschuwd. De rest van de plaat is wel classic Sex Swing; beenharde songs met bassen die we tot in de testikels voelen, drums waarvan we ons hoofd van onze schouders headbangen, gitaren die als een vlijmscherp keukenmes door onze aderen snijden en gebrul waar een kolonie gorilla’s voor uit elkaar zou stuiven. De Britten beschrijven een reis door die Golden Triangle waar drughandel welig tiert, casino’s de toeristen vele euro’s en dollars lichter maken en whiskyflessen waar dode Aziatische cobra’s in fermenteren van hand tot hand gaan. Sex Swing beschrijft dit Sodom en Gomorra met explosieve muziek en indrukwekkende teksten, wat we eigenlijk gewoon zijn van het Londens kwartet. Straffe plaat en goedkoper dan een vliegticket naar het bekendste drielandenpunt in Zuidoost-Azië.

Nap Eyes – The Neon Gate (★★★)

Nap Eyes, de Canadese, vierkoppige band uit Nova Scottia heeft vier jaar tussen de vorige lp Snapshot Of A Beginner en de nieuwe worp The Neon Gate gelaten, maar nu is die plaat dus een helder feit. Het kwartet trakteert het publiek op negen songs die zacht en introspectief zijn. De groep is er voor gekend om rustige liedjes te maken met akoestische instrumenten en dikwijls een fijn laagje synthesizer. Songs zoals “Eight Tired Starlings”, “Demons” en “Feline Wave Race” gaan vlot over de zes minuten, maar vervelen geen moment. Het is als uren staren naar een mooi landschap waarbij de schakeringen van de lucht de hele tijd veranderen; het gaat traag, maar we blijven er wel graag naar kijken. Op “Dark Mystery Enigma Bird” durft de band heel funky uit de hoek te komen en dat staat ze wonderwel. Sommige mensen zullen denken dat het allemaal steeds een beetje van hetzelfde is, maar dit is typisch zo’n album dat even moet rijpen voor we het ten volle kunnen appreciëren. “Passageway” is voor ons wel het nummer dat er boven uitsteekt door zijn aangrijpende synthgeluid. We hebben hier de indruk dat zanger Nigel Chapman goed naar Leonard Cohen heeft geluisterd en deze vergelijking staat de man als gegoten. Een mooie plaat voor een rustige avond!

Body Count – Merciless (★★★)

Ice-T mag bij een breder publiek intussen wel bekender zijn als tv cop (oh, de ironie!), maar de man blijft wel op geregelde tijdstippen nieuw werk uitbrengen met Body Count, het rap/metal-collectief waarmee hij al sinds 1990 tegen schenen schopt. Verwacht op hun achtste album geen vernieuwing, maar wat al drie decennia werkt, hoeft ook niet per se aangepast te worden. Of zoals Ice het in “Merciless” zelf verwoordt: ‘I got no more fucks to give’. Weten we meteen dat we daarover niet moeten zeuren. Dat er intussen wat sleet op zijn stem is gekomen? Ach, een roestig mes kan ook nog altijd veel schade aanrichten. Dus vliegen de loeiharde riffs en raps je om de oren, zeker in “Lying Motherfucka” of “Mic Contract”, dat laatste nummer een pumped up versie van een oud solonummer van Ice-T. En meteen ook het besef dat de band op zijn sterkst is wanneer hun frontman niet probeert te klinken als een metal-zanger. Daarvoor doet Body Count trouwens alweer een uitgebreid beroep op metal royalty: zowel Max Cavalera (Sepultura, Soulfly), George ‘Corpsegrinder’ Fisher (Cannibal Corpse), Joe Bad (Fit For An Autopsy) als Howard Jones (Light The Torch) komen zo nog wat extra gewicht geven aan de al behoorlijk zware metalen van de band. Maar de opmerkelijkste gast is toch David Gilmour (dé!), die werd aangezocht om een cover van “Comfortably Numb” de nodige credibility te geven bij een ongetwijfeld geshockeerde Pink Floyd-achterban. Veel meer deining dan bij een deel van die achterban zal de plaat niet maken, maar wie een vette throwback naar de hoogdagen van de band wil (denk “Cop Killer” en “KKK Bitch”), kan het slechter treffen.

Sofie Royer – Young-Girl Forever (★½)

Ook wij zijn zo nu en dan vatbaar voor advertenties en betaalde promo op de streamingdiensten. Wanneer we voor de vierde dag op rij het album Young-Girl Forever op onze homepagina verschijnt, wint onze nieuwsgierigheid de strijd en besluiten we om het album maar eens op te leggen. En dat was achteraf gezien misschien niet de beste keuze. Het nieuwste werk van Sofie Royer staat namelijk bol van de matigheid, uitgemolken trucjes en saaie momenten. Nummers als “Babydoll” en “Indoor Sport” worden met een iets te irritante stem gezongen, waardoor de catchy elementen totaal verloren gaan en de tracks onze aandacht niet kunnen behouden. De verschillende talen die doorheen de plaat zitten zijn een leuke gimmick, maar een echte toevoeging zijn ze niet en indruk maken ze evenmin. ‘Onze Indie-editors gaan helemaal los op dit album’ was de boodschap die bij de plaat stond. Schijnbaar horen zij toch iets anders dan wij. We willen geen vingers wijzen, maar grote kans dat het geluid waarschijnlijk het rollen van knaken was.

Everyone You Know – Ain’t Smiled in Ages (★★★½)

Op Everyone You Know kunnen we rekenen. Na een mixtape die niet officieel als album werd gelanceerd en meerdere losse singles, kwam op 15 november hun eerste echte debuutplaat Ain’t Smiled in Ages uit. De halfbroers Rhys Kirkby-Cox and Harvey Kirkby nemen ons mee naar de rauwheid én de tederheid van het leven in de Londense voorstad. De opener “Propper Stuff” is door de onstuimigheid en de sociale commentaren onmiskenbaar een Everyone You Know-nummer, waarin de leuze die het duo door het hele album doortrekt, meteen duidelijk is: ‘This here is by the people, for the people’. Daarom kunnen we op hen rekenen. Met elf nummers die een genremix zijn van elektronische beats, indierock en hiphop, bieden ze zowel een uitlaatklep voor anarchistische boosheid als een doodeerlijke spiegel van onze eigen emotionele toestand. De broers zetten de luisteraar zonder pardon op de passagiersstoel van de wilde rit waar ze ons zeer visueel op laten meerijden. De opbouwende euforie bij “Waiting” met de jaren negentig-sample van “Finally” (‘It has happened to me’) wordt bij “Think About His Mother” in één ruk weggemaaid. Met “Adored” geven ze de zoekende luisteraar woorden die hij tekortkomt en bij “Kiss The Sky” krijgen we een rave waarmee ze de handen van het stuur nu echt helemaal loslaten.

Rogê- Curyman II (★★★★)

Met zijn tweede album in samenwerking met producer Thomas Brenneck (leider van de Menahan Street Band) sinds zijn verhuis naar Los Angeles, combineert Rogê (geboren als Roger José Cury) opnieuw spelenderwijs bossa nova, samba en tropicália. Opgesmukt met bloedmooie strijkersarrangementen van levende legende Arthur Verocai (check zeker diens gelijknamige cultklassieker uit 1972) ademen de tien songs een haast naiëve, melancholische sfeer. Van het speelse “100% Samba” over het lichtvoetig funky “A Rã” tot de zwoele afsluiter “Vida Voa” is dit een charmante, oprechte ode aan zijn thuisland. Net als zijn vriend en lotgenoot Seu Jorge slaagt Rogê er doortastend in om de hardnekkige cliché’s rond Braziliaanse muziek te ontkrachten. Dat gebeurt niet alleen door zijn inventieve voordracht, maar ook door de geëngageerde teksten, deels geïnspireerd door het vaak onbesproken, koloniale verleden van de Zuid-Amerikaanse grootmacht (“A Revolta Dos Malês”). En voor al wie tijdens deze winter reeds begint te hunkeren naar tropische zonnestralen is er het hartverwarmende “Rio de Janeiro e Janeiro”, waarin Rogê de verschillende wijken en stranden van zijn flamboyante geboortestad opsomt.

Deze beire kortjes werden geschreven door Lucas Palmans, Stefan Robbrecht, Koen Dignef, David Vanholsbeeck en Ellen Van den Bossche.

Related posts
Festivalnieuws

Alcatraz voegt Lamb of God, Arch Enemy, Imminence, Body Count en meer toe aan de affiche

Terwijl de meeste festivals nog moeten wakker schieten, zijn ze bij Alcatraz vandaag in een hogere versnelling geschoten. Tijdens de editie van…
Festivalnieuws

Jera On Air lost eerste namen voor volgende zomer met o.a. The Offspring en Rise Against

Jera On Air vult al enkele jaren de leegte die Groezrock achterliet. Zo iconisch als het Kempische punk- en hardcorefestival zal Jera…
InstagramLiveRecensies

Les Nuits Botanique 2025 (Festivaldag 2): Door het stof gaan

Ook op de tweede dag van Les Nuits Botanique bleven de gitaren domineren, al kwamen ze dit keer uit een ander hoek…

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *