De poprockers van The Goon Sax zetten carrièregewijs grote stappen vooruit met hun derde langspeler. Zo wist het drietal een platencontract bij het legendarische Matador Records binnen te halen. Ook creatief zijn er grote veranderingen tegenover de twee vorige platen, en de band verkent resoluut nieuwe muzikale wegen. Helaas draait dat niet altijd even positief uit.
De Australische groep telt drie songschrijvers die meerdere instrumenten bespelen en afwisselend de zang voor hun rekening nemen. Dat leidt tot een gevarieerd resultaat, maar het valt op dat de band de strijkersarrangementen en akoestische gitaren inruilt voor invloeden van genres uit de jaren tachtig, zoals postpunk en no wave. De synths achter de rammelende gitaarlijntjes zijn wat dikker aangezet en ook kille drums doen hun intrede.
Het is een natuurlijke evolutie, want leden Riley Jones en James Harrison zetten de afgelopen jaren ook een postpunkzijproject genaamd Soot op poten. Helemaal oké wat ons betreft; het genre past namelijk perfect bij de lijzige stem van lid Louis Forster. Vooral de semi-melodieuze samenzang van Riley en Louis is een grote plus en werkt beter dan de gesproken teksten op de vorige platen. Al één stapje vooruit dus.
Toch telt Mirror II veel gebreken. Wij zijn dan wel fan van de stijl, kwalitatief kent de plaat opvallende pieken en dalen (vooral dat laatste, helaas). Vooruitgeschoven single “Psychic” is zonder meer goed, en ook nummers als “Tag” en “Till Dawn” leggen wij graag op. We horen echter vaker wel dan niet een hoop samengeklutste muzikale ideeën die nét niet klinken zoals het zou moeten.
“Temples” bevat een leuke riff in de strofes, maar zakt in tijdens het refrein. “The Chance” heeft een goed refrein, maar wordt in de strofes dan weer ontsierd door klungelige teksten. De plaat boet in de tweede helft ook opmerkelijk veel aan kwaliteit in. Zo is “Carpetry” een nummer waarvan onze tenen krullen, klinkt “Desire” zagerig en is afsluiter “Caterpillars” compleet overbodig.
The Goon Sax evolueert muzikaal op deze plaat en dat kunnen wij alleen maar toejuichen. Ook de productie is goed, wat niet moeilijk is met John Parish (producer van onder meer PJ Harvey en Aldous Harding) achter de knoppen. Toch hadden wij op wat meer kwaliteitscontrole gehoopt. Veel nummers voelen half afgewerkt aan. Met een beetje geluk herpakt de band zich op de volgende langspeler.