Live, Recensies

Pukkelpop 2018: Festivaldag 4, Afsluiten in stijl

Na drie dagen vol zon, muziek en feestjes veegden wij een laatste keer de prut uit onze ogen en spoorden we onze benen opnieuw aan om de vierde en laatste dag van Pukkelpop te ontdekken. Een dag die vroeg begon en dankzij de feestjes in de Castello, Boiler Room en Booth ook ontiegelijk laat eindigde. Over alles daartussen lees je hier in ons laatste verslag van op de weide van Pukkelpop. Met onder andere King Gizzard and The Lizard Wizard, Bazart, Justice, Kendrick Lamar en natuurlijk the one and only Willy Sommers!

© CPU – Ymke Dirikx

Als Mauro zich aan een project waagt, dan stijgt onze interesse meteen. Op Pukkelpop opende hij met de Kempenzonen de Marquee om 11u55, wat volgde was een waanzinnige rit. Rik Verheye, ceremoniemeester van dienst, moest de show begeleiden. De Marque stond bijna volledig gevuld op dit vroeg uur, en die kwamen natuurlijk maar voor één iemand. Willy werd gevraagd, maar eerst kregen we “Sad Sad Planet” door Mauro en orkest gespeeld. Daarna kwam Daan op de bühne en speelde hij drie van zijn eigen songs, om nadien Sennek te verwelkomen die een eigenzinnige versie van “Dag Vreemde Man” speelde. Maar natuurlijk was er maar één iemand waar iedereen voor kwam, die vreemde man was Willy Sommers. Een schlagerzanger op een jongerenfestival? Zoiets kan natuurlijk enkel op Pukkelpop. Als een echte volksheld werd hij onthaald en met zichtbare emotie bracht hij zijn “Leeuw In Een Kooi”. Het publiek ging wild en als even later “Laat de zon in je hart” passeerde, ontstond een gigantische polonaise doorheen de Marquee. Zoiets hebben we nog nooit meegemaakt, en dat is ook iets wat enkel kan op Pukkelpop. “Laat de zon in je hart” bleek dan ook de rest van de dag het motto op Pukkelpop. Willy Sommers is een heerser, en Mauro glunderde van trots dat zijn project een unieke sfeer op de weide kon krijgen. Onbeschrijfelijke show dat een uur bleef boeien, straf.

© CPU – Nathan Dobbelaere

In hun thuisland de VS is The Fever 333 al redelijk gekend (en berucht), hoog tijd dus om ook Europa in storm te veroveren. Dat stormen kan je gerust letterlijk nemen want ze speelden de Lift al rond het middaguur helemaal aan de flarden. Het podium bleek bijvoorbeeld al snel veel te klein voor frontman Jason Aalon Butler en dus dook hij al bij het tweede nummer het publiek in. De productie die The Fever 333 bovendien meebracht was niet onaardig voor Lift-normen. De drie ex-leden van Letlive brachten grotendeels nummers van hun debuut ep Made in America die live nog iets harder uit de hoek wisten te komen. Denk aan een mix van catchy nummers van Bring Me The Horizon en de ruwe energie van Ho99o9. Hier en daar waren de vocals van Jason niet altijd even goed te verstaan, maar dat doet geen afbreuk aan de show. In de slotfase van de set werd er nog naar het dak van het podium geklommen en werd er een dranghek omver gesprongen. The Fever 333 bracht in ieder geval één van de gefliptste shows die Kiewit de afgelopen dagen en zelfs jaren heeft meegemaakt!

Willy Sommers overtreffen bleek de rest van de dag de uitdaging te worden en West Thebarton gaf al meteen aan dat ze kwamen om te heersen. Met vier gitaristen en een heel intense frontman bracht de band snedige punk zonder al te veel franjes. Muzikaal was iedereen perfect op elkaar ingespeeld en dat gaf de muziek ook de kracht die het nodig heeft. Frontman Reverend Ray bleek ook een zeer oprecht sympathieke kerel en sprak het publiek dan ook af en toe aan over België. Het schepte een band tussen publiek en muzikanten, wat het geloof in de set alleen maar naar boven deed dreven. Melodieuze punk rock maken is niet gemakkelijk, maar West Thebarton kan het als de beste.

De bescheiden Britten van Bearcubs maken electropop die doet denken aan James Blake. In de Castello moesten ze het vrijdagmiddag doen met een handvol publiek. Het duo – een toetsenist en een drummer – begon aan hun set met een experimentele intro van “Ultraviolet” waar meteen steeldrums te horen waren, die ook de rest van hun sound tekenen. Na die feeërieke intro werd het tempo de hoogte in gejaagd met “Paradise Lost”. De klank is plots veel voller en ook “So Long” doet iedereen in een trance bewegen. Hoewel de meeste van hun songs laidback klinken, zitten er ook dreigende synths verscholen in hun muziek. Die komen naar boven in “Paper Walls”. Met “Underwaterfall” zetten ze een grandioze finale in die eindigt met een lang uitgerokken “Haunts”. En een selfie met het publiek natuurlijk want de mannen mogen trots zijn op deze strakke set.

© CPU – Nathan Dobbelaere

Wie nog een onverwerkt trauma had van het Ek voetbal 2016 zakte zaterdag beter niet af naar de Marquee. The Joy Formidable is loud en proud Welsh en deed ons alvast flashbacks krijgen naar die bewuste kwartfinale. Net als toen wonnen zij het pleit door hun niet aflatende werkkracht en enthousiasme. Ook al was het dag en nacht verschil met de daarnet zo volle marquee voor Willy Somers, de band liet het niet aan hun hart komen en was zelfs blij om eindelijk nog eens terug te keren naar de weide van Kiewit. “The Greatest Light Is the Greatest Shade” nam op ons een verassende trip doorheen hun indrukwekkende wall of sound, terwijl “Cradle” gewoon rechttoe rechtaan rock was, om dan met “Ostrich” zelfs een gevoelige piano in de mix te gooien. De Welshe tongval en nuchterheid van frontvrouw Rhiannon Bryan waren ontwapenend en ook al nemen ze het niet al te serieus toch gooit ze zich in ieder nummer. Afsluiter “Whirring” was nog het beste voorbeeld van alles geven.

Dat de laatste dag van Pukkelpop in het teken van garagerock in zijn ruimste interpretatie stond, was heel duidelijk. King Tuff was niet de enige king die garagerock kwam brengen, maar wel de enige king uit Vermont. In een strak wit pak met een leuke zonnebril geflankeerd door drie dames en een drummer, bracht hij ons rock ‘n’ roll grooves van de bovenste plank. De ene keer al wat meer neigend naar soul, de andere keer met strakke solo’s, maar vooral allemaal heel chill. De input van een extra orgel op het podium zorgde voor een extra leuke dimensie in de songs van King Tuff en zo kreeg zelfs “Black Moon Spell” een heel nieuwe invloed. Eindigen doet de man met een zalige ballad die de set perfect samenvat, soms breekbaar, soms aanstekelijk, maar vooral heel groovy.

Het kwaaltje van elke festivalopener van deze Pukkelpop editie speelde ook bij Welshly Arms parten. Vijftig minuten kregen de Amerikaanse rockers en dat bleek voor de zoveelste keer te lang te zijn om het publiek te boeien. Met slechts één bescheiden hit op de teller stond er ook voor deze opener weinig volk aan de Main Stage. Wat we hoorden, klonk in ieder geval niet slecht, maar het blies gewoon niemand van zijn sokken. De band uit Cleveland had twee backing vocals bij, die dankzij hun smooth bewegingen en harmonieën wat dynamiek in liedjes zoals “Legendary”, “Sanctuary” en “We Move Easy” brachten. Twintig minuten korter en de set was een prima opener geweest, maar vijftig minuten waren gewoon te veel om de aandacht te houden.

Het aantal folkacts op Pukkel 2018 is op één hand te tellen en hoewel Marlon Williams vaker een elektrische dan een akoestische gitaar omgorde, kon hij zijn folkroots nooit helemaal verbergen. Tijdens zijn show in de Club presenteerde de sympathieke nieuw zeelander zichzelf als een fijner alternatief is voor de George Ezras van deze wereld. Een streepje viool en piano hier, en uptempo rockabilly nummers als “Party Boy” daar om dan uiteindelijk te eindigen met een soulvolle cover van Screamin’ Jay Williams’ “Portrait of a man”. Deze jongen kent duidelijk zijn klassiekers.

Er moet iets in het Australische water zitten want het kwartet van Confidence Man is geen gewone band. In twee duo’s betreden ze het podium. Als eerste de muzikanten. Gehuld in een hoed met sluier en voorts enkel een zwarte zwembroek met witte sokken, nemen ze plaats achter de drums en keys. We kunnen de gezichten niet zien maar vermoeden dat het heren zijn. Na een lange intro door die twee rare snuiters komen de spilfiguren in de spotlights: Janet Planet en Sugar Bones in zilveren outfits. Ze dansen als gekken en kunnen niet wondermooi of spectaculair goed zingen. Na de eerste electrosongs met hilarische lyrics volgt een instrumenteel deel door de twee gesluierde figuren waarna – in een andere outfit – het vrolijke duo weer komt opdagen. Dit maal om synchroon te dansen op “COOL party”. Met “All the way” gaat het richting pure disco. Na een tweede kledingwissel kraken het ondertussen zeer geliefde forntduo een fles champagne open. In een kostuum met korte strakke broek staan ze te dansen op “Try Your Luck” en verleiden ze iedereen een laatste keer met “Don’t You Know I’m in a Band”. Confidence Man maakte er niet veel woorden aan vuil tussendoor maar had dat ook niet nodig. Hun originele moves en outfits werkten aanstekelijk genoeg. Dance hoeft dan ook niet altijd hip & trendy te zijn. Soms is gewoon gek doen op een goeie beat veel leuker.

© CPU – Nathan Dobbelaere

In de elf jaar dat The Wombats al indiepop maken, hebben ze genoeg aanstekelijke hitjes neergepend om een warme Marquee aan het dansen te krijgen. Toch duurde het tot “Techno Fan” voor de Liverpooldians ze helemaal onder stoom komen. “Lemon to a Knife Fight” en “Jump into the Fog” bouwden mooi op naar een hoogtepunt dat nog moest komen, om het dan met joligheden als liftmuziek en een dansende wombat (of beer?) weer om zeep te helpen. Hilarisch dat wel, maar vooral wat studentikoos. Nee, geef ons dan maar het slot met knallers als “Moving To New York”, het onverwoestbare “Let’s Dance To Joy Division” en die potige drumintro van “Greek Tragedy”.

Lees verder op pagina 2 (met o.a. Bazart, J. Bernardt, Ron Gallo …)

19 augustus 2018

About Author

Niels Bruwier Ook bekend als "Den Beir", oprichter van de site, leidt alles in goeie banen en schrijft ook wel eens iets.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Nieuwsbrief