Het lijkt stilaan een traditie te worden: Bob Dylan doet ieder jaar wel eens België aan. Voor het derde jaar op rij staat de eeuwige Amerikaanse songwriter op onze planken, deze keer opnieuw in de Lotto Arena in Antwerpen. Over de kwaliteit van zijn shows zijn de voorbije jaren al duizenden woorden geschreven. Toch leek het ook deze keer veelbelovend, gezien de lof die deze tour online al mocht ontvangen. Met redelijk hoge verwachtingen trokken we dan ook richting Antwerpen. Die verwachtingen werden niet alleen ingelost, maar zelfs overtroffen.
Dit optreden voelde toch net iets specialer aan. Dylan bereikte dit jaar de gezegende leeftijd van 85 jaar, waardoor elk concert aanvoelt als een extra geschenk. Je weet immers nooit wanneer het de laatste keer kan zijn. Toch viel er van die hoge leeftijd niet al te veel te merken. Het podium was sober aangekleed: een wit doek en vijf gelige lampen. Meer had de Amerikaanse volksheld niet nodig om de juiste sfeer te scheppen. Zonder aankondiging zette de band “Watching The River Flow” gedreven in. Meteen werd met een stevig ritme de toon voor de avond gezet. Toch hielden we even ons hart vast, want het geluid leek aanvankelijk niet helemaal goed gemixt. De bassen overstemden de rest en Dylan zelf was moeilijk te verstaan. Gelukkig werd dat euvel snel verholpen en klonk de mix na enkele minuten een pak beter.
De setlist bleef grotendeels trouw aan die van de rest van de tour. Al snel volgde “Love Sick”, dat verrassend dicht bij de studioversie bleef. Meteen een hoogtepunt, gevolgd door een luid applaus. Het publiek bleek bijzonder gul met lof voor zijn Amerikaanse held. Meermaals barstten de fans, die soms bijna dreigden te verdrinken in hun eigen idolatrie, midden in een nummer in applaus uit. Van Dylan zelf moesten we echter weinig respons verwachten. Als er één ding is waaraan de man zich weinig gelegen laat liggen, dan is het wel de behoefte om zijn publiek naar de mond te praten. Gehuld in een jas met kap was het bovendien moeilijk te geloven dat we naar dezelfde man stonden te kijken als de krullenbol die ons vanaf de hoes van Blonde on Blonde dagelijks vanuit onze platenkast lijkt aan te staren. Wanneer het besef eindelijk doordrong dat dit icoon na meer dan zestig jaar nog steeds op het podium stond, moesten we toch even een traantje wegpinken.
De band kwam het best tot zijn recht wanneer er ruimte was om te swingen en te jammen. Bij “Goodbye Jimmy Reed” viel alles op zijn plaats. We hoorden een groep muzikanten op het toppunt van hun kunnen: perfect op elkaar ingespeeld, maar tegelijkertijd met voldoende vrijheid om de muziek alle kanten uit te laten gaan. Het was precies die combinatie van vakmanschap en spontaniteit die de nummers deed leven. De muzikanten speelden niet zomaar hun partijen af, maar zochten voortdurend de interactie met elkaar op. De ene riff vloeide moeiteloos over in de andere, terwijl het ritme alle ruimte liet voor kleine muzikale omwegen. Ook bij “When I Paint My Masterpiece” kwam die chemie sterk naar voren. De gitarist strooide met gitaarriedeltjes alsof het Halloweensnoep was, terwijl de bas een stuwend ritme neerlegde. De band leek elkaar voortdurend uit te dagen, zonder daarbij de controle te verliezen. Ook “Early Roman Kings” werd een verrassend hoogtepunt. Het nummer kreeg een iets hoger tempo en dankzij het losse samenspel klonk het geheel bijzonder levendig. De contrabas kreeg daarbij geregeld een prominente rol, wat de muziek meteen de intieme sfeer van een ondergronds blueskroegje gaf.
Het was vooral tijdens die momenten dat de band zich van haar beste kant liet zien. Het samenspel voelde nooit te strak of ingestudeerd aan. Integendeel, de muzikanten kregen de ruimte om te experimenteren en op elkaar in te spelen. Dat spontane karakter gaf de nummers een extra dimensie en zorgde ervoor dat zelfs de bekendere songs fris bleven klinken. De stem van Dylan, die ergens balanceert tussen een doorrookte crooner en de krakende deur van een spookhuis, maakte het plaatje compleet. Over zijn vocale prestaties mochten we bovendien niet klagen: zijn stem hield zich gedurende het hele concert opvallend sterk staande.
Een bijzondere rol was weggelegd voor Mike Seal, de jazzgitarist die zich tijdens deze tour bij Dylans band heeft aangesloten. Al snel werd duidelijk waarom Dylan hem aan boord had gehaald. Zijn gitaarspel schitterde gedurende het anderhalf uur en voegde een extra laag toe aan het geluid van de band. Tijdens “Crossing The Rubicon” doorspekte hij het nummer met melodieuze klanken. Met enkel zijn Telecaster en nauwelijks effecten haalde hij het pure geluid van het instrument naar boven, balancerend tussen verfijnde helderheid en aanvallende scherpte. Ook tijdens “Million Miles” kreeg Seal de ruimte om zijn kunnen te tonen. Hij wisselde solo’s af met Dylan, die intussen zijn mondharmonica bovenhaalde. Beide muzikanten kregen daarvoor telkens een daverend applaus. Het waren momenten waarop de kracht van deze bezetting duidelijk werd: Dylan hoefde niet voortdurend op de voorgrond te staan, want zijn band kon het verhaal ook zelfstandig verder vertellen. Juist die muzikale vrijheid maakte de beste passages van de avond zo boeiend.
Toch verliep niet alles even sterk. Vooral bij de tragere nummers leek de band soms de draad kwijt te raken. Folkrockklassieker “Tangled Up In Blue” kreeg een pianoballadversie, maar het geheel klonk alsof de muzikanten het nummer voor het eerst samen speelden. Ook de Jerry Lee Lewis-cover “I Can’t Seem to Say Goodbye” kwam minder overtuigend over. Daar stond tegenover dat Dylan vocaal juist tijdens dat nummer indruk maakte. Met “Black Rider” volgde gelukkig wel een geslaagd rustpunt. Het publiek hing muisstil aan Dylans lippen en verloor geen seconde de aandacht. In die verstilde momenten werd nog maar eens duidelijk dat de man geen grote gebaren of uitgebreide bindteksten nodig heeft om een zaal in zijn greep te houden. Soms volstaat een stem, een piano en de juiste sfeer.
Afsluiten deed Dylan opnieuw met “Every Grain Of Sand”, een nummer uit zijn gospelperiode. Het wiegende ritme maakte stilzitten moeilijk. Voor de tweede keer die avond haalde Bobby zijn mondharmonica boven en speelde hij enkele aangename noten. Het waren meteen de laatste én mooiste die we die avond te horen kregen. Voor we het goed en wel beseften, stond de inmiddels verafgode man recht. Onaangedaan bleef hij op het podium staan, terwijl het publiek hem trakteerde op een minutenlange staande ovatie. Ongemakkelijk slenterde hij vervolgens van het podium, terwijl zijn fans bleven juichen en klappen. “We love you, Bob!”, klonk het vanuit de zaal. En stiekem doen wij dat ook.
Bob Dylan deed die avond zijn reputatie als wisselvallige liveartiest alle eer aan, maar bewees tegelijk dat hij nog steeds kan betoveren. Anderhalf uur lang werden we ondergedompeld in een intieme sfeer die ons aan onze stoel gekluisterd hield. Samen met zijn band toverde de Amerikaanse held de Lotto Arena om tot een rokerig jazzcafé, waar swingende ritmes, spontane jamsessies en muzikale vrijheid de dienst uitmaakten. De mindere momenten konden niet verhinderen dat het concert als geheel indruk maakte. We wuifden de eeuwige reiziger gedag. Touren zit nu eenmaal in het bloed van Bob Dylan. Misschien doet hij het niet eens voor zijn publiek, maar omdat hij, net als zijn grote voorbeeld Woody Guthrie, als een outlaw de baan op moet. Misschien tot volgend jaar. En mocht dat niet het geval zijn, dan was dit een prachtig afscheid, dat nog lang in de herinneringen van de duizenden aanwezigen zal blijven nazinderen.







