Live, Recensies

Gent Jazz 5 juli 2018: languit zweven tussen chaos en coherentie

Op de vierde dag van Gent Jazz stonden geen headliners op de rand van de pop geprogrammeerd. De nadruk lag op wat Gent Jazz diep vanbinnen nog altijd is: een jazzfestival. Zonder bekende namen was de ticketverkoop dan ook matig, de weide en de zaal zat zowat halfvol. Opvallend was dat geen enkele act een zanger had, maar de muziek was instrumentaal van zo’n hoog niveau dat dat niet nodig was. Enkele gerenommeerde artiesten binnen de jazz wereld passeerden de revue die allemaal speelden met het maat houden. Voor sommigen is dat te nerveus, voor anderen extatisch. In elk geval is er een portie aandacht voor nodig, waardoor er geen ruimte was voor excentrieke presentaties. Het was muziek om op een zomerse dag languit te genieten en met een glaasje te wiegelen tussen chaos en motief, en toevallig was het net zo’n warme dag. Al hadden we ook enkele bedenkingen.

De eerste act op de main stage was van de Naamse pianiste Nathalie Loriers met Tineke Postma op saxofoon, in navolging van hun album We Will Really Meet Again. Sam Gerstmans vervoegde op contrabas. Zowel het album als het optreden had geen drum ter ondersteuning, de instrumenten gingen met elkaar in dialoog. Loriers zag je zelfs letterlijk meepraten achter haar piano. Qua soundcheck was het helemaal in orde: de muziek stond niet luid en klonk toch heel helder. Zonder drummer kon je eerst moeilijk volgen, maar indien je met je voet een drummetje maakte merkte je dat het trio perfect de maat hield. Het was alsof de muziekanten met je meespeelden in plaats van omgekeerd. De sfeer wisselde van intiem naar uitbundig, van melodisch naar dissonant. Telkens wisten de artiesten na een uitweiding weer in hun ‘groove’ te vallen, gevolgd door een applaus van de half gevulde zaal. Dit soort optredens kan soms vermoeiend zijn, maar dit trio zorgde voor een wonderlijk samenspel.

De tweede gast is graag gezien op Gent Jazz: het was er zijn vijfde keer. De invloedrijke jazzpianist Brad Mehldau uit New York speelde in trio enkele zeer mooie nummers die bij het publiek in de smaak vielen. Het drumwerk van Jeff Ballard was strak maar beperkte zich tot verwoede cymbalen. Larry Grenadier vulde de gaatjes op met zijn bas. Het was dus vooral Mehldau zelf op piano die het ritme en de melodie voor z’n rekening nam. De pianist bleef verbazen toen hij het publiek in perfect Nederlands aansprak. Halfweg de set herpakte de drum zich, met enkele solo’s waarmee hij zichzelf telkens overtrof. Het geheel was zeker niet chaotisch en zelfs wat conformistisch zelfs naar jazz normen.

‘C minor Wals’, de originele naam voor een wals in C mineur, was een uitzondering: elk lid van het trio speelde als het ware een wals op zichzelf. Toch was het sterk hoe ze minutenlang dezelfde hoeveelheid verwarring aanhielden zonder in volledige kakofonie te vallen. Dit gaf een nieuwe dimensie aan het optreden. Enkele intensieve improvisaties volgden maar er viel geen echt hoogtepunt te vinden, eerder een beurtrol om de timing uit te dagen. Na een rustig slotnummer kwam een prachtig bisnummer dat toevallig perfect binnen de timing paste. Dit was zowaar het meest samenhangende en bescheiden werk van de avond.

Net voor Chico Freeman waren de Sabam jazz awards ertussen geduwd. Sven Gatz deelde snel respectievelijk 5000 en 10.000 euro uit aan respectievelijk Niels Van Heertum voor zijn werk op het euphonium en Robin Verheyen van Taxiwars. De gehaastheid ervan zorgde ervoor dat er geen soundcheck te horen was en veel mensen nog niet binnen waren toen Chico eraan begon.

Ondanks de halve start begon de 64 jarige Chico Freeman en zijn vierledige band goed en energiek. De band hield zich niet in maar liet de saxofoonspeler toch leidden. Er heerste een gezellige sfeer op het podium en de artiesten maakte tussen de inspanning door al eens een grapje. Freeman heeft al een indrukwekkende weg afgelegd, met samenwerkingen met Sun Ra, Dizzy Gillespie, McCoy Tyner en een dertigtal albums. Hij schudde dit concert dan ook uit z’n mouw alsof hij z’n tanden poetste. De andere leden zijn een stuk jonger en dat siert alleen maar het geheel. Een nummer opgedragen aan drummer Robin Jones door Rudy Royston zo hard gespeeld, dat zijn drumpartituur ervan omsloeg. Dit alles terwijl Chico toekeek en zag dat het goed was.

Halfweg speelden de muzikanten in een trager tempo dat iets minder samenhing. In een volle zaal bleek het goede avondmuziek die misschien wat slaapwekkend begon te worden in combinatie met de schemering. De xylofoonspeler was niet aangekondigd op de infosheet, was niet goed gesoundcheckt en stond gelukkig de halve set aan de zijlijn toe te kijken. Hij speelde hoofdzakelijk de sax melodieën na en was vrij overbodig. We moeten bekennen dat enkele van zijn solo’s er indrukwekkend uitzagen, maar meestal trok hij de balans weg van pianist Anthony Wonsey. Plots viel het licht uit en hoorden we een swingend nummer. Tot slot hoorden we een sublieme ode aan de pianist van John Coltrane, dat Freeman samen met hem schreef. De laatste improvisatie was een paringsdans tussen chaos en coherentie om je ogen bij te sluiten.

Op de garden stage hoorden we drie keer een sessie van Belgische contrabasspeler Jeroen Herzeele. Hij had duidelijk de touwtjes in handen en gaf teken wanneer de rest mocht invallen. De band Sal La Rocca speelde zeer expressief en was bij momenten zeer warm en samenhangend, al was het toch wat meer voor de liefhebbers. De strakke timing zorgde er ook voor dat je niet alles kon meepikken. Vele mensen bleven tijdens de optredens buiten gezellig op de festivalstoeltjes zitten. Herzele heeft een opvallend goed gevoel voor groove, een soort ‘slapbass’ techniek met zijn rechterhand waarmee hij zijn contrabas bediend zonder zelf zijn partituur te bekijken.

Laatste artiest Hudson is een supergroep uit New York die begon met aanstekelijke oude ventenblues. De bluesgitaarstijl in de motieven doet denken aan de lead van recente artiesten zoals Derek Trucks. Al snel sloeg de set over in een kakofonie van instrumenten, waarbij het kwartet elk snelle stukken door elkaar speelde zonder ergens naartoe te willen gaan. Het deed denken aan diffuse prog rock improvisaties uit de jaren 70, maar dan zonder de drugs en met grijze baarden. John Medeski op key zorgde voor afwisseling met interessante effecten, maar kwam qua technologie toch 20 jaar achter. Soms waren er subtielere momenten maar de band kon niet tippen aan Chico Freemand, zowel qua sound als presence. Plots klonken de key en de bas van Scott Colley als een vroeg optreden van Sonic Youth, wat weer voor een bizar moment zorgde.

De inconsistentie werd nog duidelijker toen er dan weer een doodnormaal jazznummer volgde. Na elke rustpauze liep een deel van het publiek weg, hoewel er een kern bleef wachten op de gitarist. Bij ‘El Swing’ uit hun album Hudson nam de gitarist eindelijk de lead en kwam snel het eerste applaus, al klonk het niet zo goed als op plaat. Er leidt toch geen twijfel over het kunnen van de vier muzikanten. De handen van de pianist gleden heen en weer zoals een mes door boter en ook de drummer kwam meermaals zelfs letterlijk aan het woord. Enkele covers van Jimi Hendrix volgden waaronder ‘Castles Made of Sand’, maar de gitaarstijl van John Scofield is toch een stuk beheerster en voller dan wijlen de linkshandige legende. Misschien zou Jimi zo klinken indien hij op latere leeftijd de protestsong afgezworen zou hebben maar we betwijfelen het. Geef ons maar het origineel.

6 juli 2018

About Author

Renaat Senechal


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Newsletter