Live, Recensies

Het Grote Pukkelpop 2017 Verslag Deel 5 (met oa Rise Against, Ty Segall, Mac DeMarco en Interpol)

Het voorbije weekend kon je Dansende Beren terugvinden op de weide of in één van de vele tenten op het terrein van Pukkelpop. We zagen veel, heel veel. Zo veel dat het moeilijk allemaal in één post te vatten is. Daarom delen we onze meningen en recensies op en lossen we nu alweer een vijfde deel. Dit keer met wat meer gitaren, omdat Pukkelpop daar ook een publiek voor heeft. Hoewel de Shelter niet meer bestaat, konden we (vooral op zaterdag) toch een rockpubliek vinden die als, hij heel hard zocht, aan zijn trekken kwam. Hopelijk ziet Pukkelpop in dat deze mensen ook een podium verdienen en komt er volgend jaar een vervanger voor de Shelter want gitaren zijn leven!

Het grootste zootje ongeregeld brak op vrijdagavond de Lift af. Black Lips hadden een heel arsenaal aan wc-papier en ballonnen mee. Die palmden van bij het begin het podium in, waarna we het publiek dat wat later kwam vreemde ogen zagen trekken. De muziek van Black Lips werd op het scherpst van de snee gespeeld en zonder veel gezever. Het publiek sprong in het rond en vooraan zagen we het hele concert door mensen op en neer gaan. Strak, energie en veel sfeer. Om een goeie tijd te beleven en je vrijdag ideaal af te sluiten, was Black Lips de enige optie.

Turn On The Bright Lights is vijftien jaar oud en dat moet gevierd worden. Interpol bracht het album integraal en op Pukkelpop kregen we er zelfs “Evil” en “Not Even Jail” bovenop, als dat niet vriendelijk is. In tegenstelling tot hun vrienden van Editors op de Main Stage, heeft Interpol geen gigantische show nodig om een goeie set neer te zetten. Meer dan de norse blik op het gezicht van frontman Paul Banks en een donkere sfeer hebben ze niet nodig. Van de echoende gitaren in “Untitled” over het uptempo “Say Hello To The Angels” tot perfecte afsluiter “Leif Erikson”, Interpol stond alweer garant voor een strakke set die nooit uit de toon viel en gewoon zeer goed was. Hoe kan het ook anders met zo’n klassieker als Turn On The Bright Lights op de setlist. Een band die nooit weet te teleurstellen, dat is zeker.

De zaterdag van Pukkelpop was er één met de meeste gitaren. Het logische gevolg was dat deze dag dan ook als enige al enkele weken op voorhad uitverkocht. Wij begonnen onze dag met no-nonsens punk gemixt met krachtige gitaren. Culture Abuse wist niet te veel volk op de been te brengen, speelde slechts een halfuur maar wist wel zieltjes te winnen. ‘Love and Peace’ en ‘Fuck Donald Trump’ liet frontman David Kelling zich ettelijke keren ontvallen. Zelf was hij precies al wat high maar dat zorgde er niet voor dat de band een mindere set afleverde. Hun ruige punk en boodschap van vrede kwam overtuigend over, missie geslaagd.

Een paar klasgenootjes uit Londen, ook wel Palace genaamd, kwamen met hun alt blues rock de club vrijdag openen. Het was nog vroeg op de dag voor de doorsnee Pukkelpopper. Maar toch kwam er al aardig wat volk opdagen. Palace is dan ook een bandje waarmee je de dag rustig kan beginnen en nog even slaapdronken kan ontwaken. Of de uitslapers echt een memorabele show gemist hebben? Neen. Of wij een degelijke set voorgeschoteld kregen? Zeker wel. De band wisselde weinig woorden maar deed vooral waar ze voor gekomen zijn, spelen. Live komt de groep immers nog beter uit de verf dan op de plaat. Uitspringer van dienst was “Bitter”, tevens ook hun bekendste single. We kregen alvast enkele songs te horen uit hun aankomende album. Palace kreeg zeker een terechte plaats op de Pukkelpop affiche maar om echt door te breken mist de band nog wat X-factor.

Pukkelpop durft altijd wel eens een goeie garageband te programmeren. Dit jaar was het de koning, Ty Segall, die potten mocht breken op donderdag. Het leuke aan een concert van Ty Segall is dat hij altijd iets anders speelt. Zo passeerde op Pukkelpop geen “Feel”, maar wist hij wel met genoeg riffs te overtuigen. “Break A Guitar” zette meteen de toon van het concert. Gitaarsolo’s hier, gitaarsolo’s daar, gitaarsolo’s overal. Invloeden vanuit ieder decennia en hier en daar een kleine portie humor. Ty Segall gooit zijn lichaam op de gitaar, die vervolgens alles doet wat hij wil. Alles moet ook gelikt klinken, wat er voor zorgt dat er tussen de nummers door altijd gestemd moet worden. Zo kunnen wij ook even tot rust komen, waarna Segall terug alles doorheen schudt. Snelheid is de essentie van dit concert en bij “Candy Sam” bereikt die snelheid een ongezien niveau. Veel sneller dan op plaat en hierdoor ook veel beter. Na dit concert stond je vooral met een mond vol tanden, wat was er net gepasseerd? Een wervelwind genaamd Ty Segall die alles en iedereen omver blies.

Moose Blood mocht later aantreden dan Steak Number Eight op zaterdag en bracht minder volk op de been maar het kon hen allemaal geen hol schelen. Ze brachten een fijne set waarin aanstekelijke pop punk nummers gemengd worden met gierende gitaren. Het publiek dat er was, leefde zich volledig in bij de muziek van de band en de emoties laaiden hoog op. Moose Blood heeft sterke songs en brengt dit live strak zonder veel franjes. Hier en daar een ballad om ook wat rust te brengen om te eindigen met “Knuckles”, leuke set.

Mac DeMarco is uitgegroeid tot een symbool van de slacker rock. Hierdoor zou je denken dat hij wat professioneler zou zijn geworden, maar niets is minder waar. De man nam een fles whiskey in de hand en verzoop zich in de alcohol. Jammer genoeg verzoop de set hierdoor mee. Het begon wel fijn met “On The Level”, maar al snel werd duidelijk dat DeMarco zich vooral wilde amuseren. Hij neemt zijn akoestische gitaar in de hand, rookt een sigaret en speelt nog wat rustige nummers waarna zijn akoestische gitaar in het publiek verdwijnt. De bindteksten zijn hilarisch maar veel te lang, waardoor de humor verdwijnt. Als je dan nog eens aan de helft van je set plots twee covers van telkens een kwartier brengt, kan het wel eens gaan vervelen. “A Thousand Miles” van Vanessa Carlton krijgt een ‘making my way downtown’ metamorfose en “Gypsy Woman” van Crystal Waters wordt in een lo-fi kleedje gestopt. Op zich wel tof, maar niet om een kwartier aan een stuk aan te horen. Als DeMarco dan ook nog eens begint te dansen op The XX (die tegelijk op de Main Stage stond), weet je dat het niet goed komt. Jammer, want zijn zomerse deuntjes mogen er best wel zijn.

The Amazons zijn Britse rockers en dat mag duidelijk zijn. Lederen jackets, zwarte jeansbroek en al een even donkere lichtshow. Hoewel ze alle clichés in hun outfit steken, weten ze toch wel enkele strakke nummers te brengen. Geen bullshit, gewoon knallen en tonen dat rock niet helemaal dood is. Heel vernieuwend is het allemaal niet, maar het wordt wel goed gebracht. De refreinen zijn meezingbaar en de riffs moordend. Het kleur zwart staat centraal (al is de frontman ros) en bijgevolg wanen we ons even in een bruine kroeg in Groot-Brittannië. Afsluiter “Junk Food Forever”, waarin alle kenmerken van een goed rocknummer samenkomen, blijkt nog steeds hun beste song.

Billy Talent ziet het groots, met een waanzinnige lichtshow brengt de band een strakke set die de liefhebbers van de betere pop punk wel kan appreciëren. Het concept is feilloos want net zoals het rode decor, zijn ook de bandleden volledig in het rood uitgedost. Als “Red Flag” dan nog eens het beste nummer uit de set blijkt, weet je genoeg. Energie, kracht en inzet staan centraal bij Billy Talent die zichtbaar onder de indruk zijn van het enthousiaste publiek. Hier en daar een gitaarsolo, een meezingmoment of een bescheiden moshpit, het hoort er allemaal bij. Billy Talent is gewoon plezier maken op strak gitaarwerk, meer moet dat soms niet zijn.

Om te trippen kon je op zaterdag in de Lift zijn. Daar speelde Moon Duo een bezwerende set zoals zij dat alleen kunnen. Snedig gitaarwerk vermengd met ijle synths en een pulserende drum, het concept is simpel maar effectief. De zang is minder belangrijk, het zijn vooral de gitaren die het werk doen. Je moet wegdromen en gehypnotiseerd worden. Dit doen ze door lange nummers te spelen met repetitieve sound. Wanneer de gitaar de voorgrond neemt, klieft hij alles doormidden. Net wanneer je dacht dat er niets meer zou veranderen aan de set, coveren ze Iggy Pop’s “No Fun” op hun eigen psychedelische manier. Eerst die kenmerkende gitaarriff gevolgd door een geniale outro op hetzelfde ritme als de begingitaar, wat een kerels.

Een festival afsluiten met zoveel plezier en spelgenot als bij Band Of Horses is zeldzaam. Ben Bridwell had van begin tot eind een gigantische glimlach op zijn gezicht waardoor de band een geniale set afleverde. De Club was weliswaar te klein voor deze band, bomvol en nergens een plaatsje vrij. Het zorgt wel voor een uitzonderlijke sfeer en een sterk optreden. Iedereen zingt alles uit volle borst mee. “Is There A Ghost”, “Compliments”, “The Funeral” en ga zo maar door, het passeerde allemaal. Als Band Of Horses tussen de nummers door wat jamt verklaart Bridwell dat ze een nieuw nummer speelden. Zij hebben plezier, wij hebben plezier en we verlaten het festival met een fijn gevoel, merci Band Of Horses!

The Shins willen kleur brengen naar Pukkelpop en doen doet met een mooi bekleed podium. Er staan veel bloemen en het oogt allemaal heel zomers. Hoewel de band enkele jaren terug nog op de Main Stage stond, moeten ze het nu doen in de Marquee voor een beperkter publiek. Dat maakt het optreden niet minder slecht, want net zoals het podium is hun muziek erg kleurrijk. We zien iedereen langzaam maar zeker een glimlach krijgen en de goeie vibes overheersen overduidelijk. Doordat het hier allemaal vrolijke nummers zijn, valt het ook op als The Shins wat trager te werk gaan op het eind. De blijheid maakt plaats voor gevoelige folk. Dit duurt weliswaar niet lang, want met afsluiter “Sleeping Lessons” hebben ze een goeie apotheose klaar en er wordt zelfs een stukje “American Girl” van Tom Petty in gemengd. Underrated band die van The Shins, want alweer zagen we een sterke show van de band.

Rise Against is de headliner van de Shelter dag in de Marquee (RIP Shelter). Met een filmpje van een atoombom knalt de set op gang en ontstaan er in het publiek meteen moshpits. In het begin moet de band nog wat acclimatiseren en hun sound op punt krijgen maar eens dat van de baan is, krijgen we een retestrakke punk rock show. Er worden kosten nog moeite gespaard om ons visueel te verwennen en Tim McIlrath predikt de goeie boodschap. Geen oorlog, geen slechte wereld, geen haat of racisme gewoon gelijkheid en muziek. De boodschap komt sterk over en bij “Give It All” doet hij wat de titel zegt en verdwijnt in het publiek. “Survive” draagt de band op aan Chris Cornell en Chester Bennington waarna met “Hero Of War” nog een kippenvelmoment volgt. Een akoestische gitaar en duizenden mensen die het nummer uit volle borst meezingen, je zou voor minder emotioneel worden. Hierna laat Rise Against voor de laatste keer een gigantische moshpit ontstaan die half de Marquee inneemt. De mannen van de afbraak zullen tevreden zijn, want Rise Against deden al de helft van het werk.

Je kan deel 1, 2, 3 en 4 nalezen door op de cijfertjes te klikken!

22 augustus 2017

About Author

Niels Bruwier Ook bekend als "Den Beir", oprichter van de site, leidt alles in goeie banen en schrijft ook wel eens iets.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Newsletter