
© CPU – Nathan Dobbelaere
Dag drie van de festiviteiten in het Minnewaterpark. De dag waarop het doorgaans iets gezapiger mag en er meer in de Bazaar en Oase wordt gehangen om de pijnlijke rug te verzachten met een kombucha en wat vegan soulfood. Cactusfestival had echter andere gedachten dit jaar en presenteerde vandaag niet enkel zijn grootste headliner, maar ook een stevige line-up die alle kanten op schoot. Van grote beloften tot nog iets te goed verborgen geheimen en een Belgische topper die mogelijk aan de top van zijn kunnen zit. Dag drie had alles in zich om het predicaat ‘memorabel’ opgekleefd te krijgen.
Bleech 9:3

© CPU – Nathan Dobbelaere
Een band die noodgedwongen annuleert, is nooit een cadeau voor een organisatie, maar misschien… heel misschien was het afzeggen van het Ierse Madra Salach wel een zegen voor Cactus. Het stelde hen namelijk in staat om die andere Ieren, Bleech 9:3, te boeken als supersub. De jonge wolven gelden namelijk al maanden als een band die in een stroomversnelling richting grootsheid zit. Op Cactus werd meteen duidelijk waarom. De band combineert attitude en authentieke livepresence met sterke nummers. De invloeden van bands als Fontaines D.C. en Wunderhorse zijn duidelijk, maar ook Nirvana is niet al te ver weg in het geluid van de band.
Op een gezapig wakker wordend Cactusfestival kreeg Bleech 9:3 toch al een vrij grote opkomst, die na de sterke passage op Rock Werchter nieuwsgierig zijn weg naar het podium vond. Dat ontging ook de band niet. Nummers als “Jackie” en “Cannonball” klonken zo scherp dat we de neiging kregen achteraf naar de EHBO te huppelen voor een pleister. Op Cactus zagen we dan ook een gitaarbandje aan het werk dat nu al alles lijkt te hebben om door te breken naar de hogere spots op de podia. Cactusfestival was vakkundig wakker geschud.
Hiqpy

© CPU – Nathan Dobbelaere
Ook het Amsterdamse Hiqpy blijft gelden als een belofte die een fijne toekomst tegemoetgaat. De Nederlanders blijven dan ook vlijtig aan de weg werken en trekken van podium naar podium om zieltjes te winnen, of dat nu als support is voor bands als De Staat, met eigen shows of op festivals. Hiqpy timmert duidelijk aan haar solide livereputatie. Op Cactus kwam het bovendien aanzetten met de uitstekende langspeler Slow Death of a Good Girl onder de arm.
Hoe hongerig Hiqpy live klinkt, werd al heel snel duidelijk dankzij een enorm strak klinkend “Girl in Red” en “Side Piece”, die als visitekaartjes werden afgeleverd. Ondanks het nog steeds wat makke publiek van Cactus dat zat te puffen onder een loden zon, voelde je het knetteren op het podium. Dat komt voor een groot deel door de aantrekkingskracht van frontvrouw Abir Hamam. Ze zoog constant de aandacht naar zich toe, zeker bij een nummer als “Nothing”, waar ze de ruimte kreeg om de uithoeken van het podium te verkennen en zich volledig te profileren als entertainer. De zangeres gaf zich zo hard in de hitte dat de lijm van haar laarzen smolt en ze zich tegen het einde van de set een reservepaar moest aanmeten. Het hielp allemaal bijdragen aan een optreden dat de sterke reputatie van Hiqpy nog wat verder cementeerde.
Ão

© CPU – Nathan Dobbelaere
Mijn god, wat houden we van Ão, een band die haar vlieger oplaat in een storm van Portugese fado en melancholie, en keer op keer bewijst dat zoete emotie niet pathetisch hoeft te zijn. Een band als deze is dan ook ideaal voor een festival als Cactus, dat het moet hebben van sfeervol samenzijn in het park. Dat de groep rond Brenda Corijn begin dit jaar een dot van een langspeler op de wereld losliet in de vorm van Malandra creëerde eveneens verwachtingen voor de passage van de band.
Die werden moeiteloos ingelost onder de warme zomerzon. Ão was klein en zijdezacht, groots en meeslepend, traditioneel en elektronisch. Het is die organische flow van geluiden die ook nu het aandachtige publiek wist te begeesteren, terwijl Corijn beetje bij beetje iedereen om haar vinger wond. Ook nu weer bleek “Talvez” een heel knap aha-momentje aan het einde voor een massaal toegestroomd festivalpubliek, maar het echte hoogtepunt kwam er met “More”, dat openbloeide als een bloem en duidelijk wist te raken. Ão kreeg Cactus dan ook vlotjes op de hand. Zeker toen Brenda zich liet vergezellen door enkele dansers en zich waagde aan een choreografie, om vervolgens gemaskerd tussen het publiek voor het podium te gaan dansen, voelde je dat er iets gebeurde en dat Cactusfestival zich maar wat graag liet meeslepen in de droomwereld van de band.
Jehnny Beth

© CPU – Nathan Dobbelaere
Cactusfestival liep in een ontzettend snel tempo onder een nog steeds verschroeiende zon. Dat niet elke act even sterk uit de verf kwam, was dan ook de logica zelve. Enter de Franse Jehnny Beth. Filmster, radiohost, eigenzinnige muzikante… Beth is voor geen gat te vangen. Alleen voelde een zonovergoten Cactusfestival in de late namiddag niet meteen als de juiste plek voor haar.
Beth ging dan ook voor een overrompelend geluid, een mengelmoes van harde gitaren en industrial. Het laatste wat de voormalige frontvrouw van de postpunkers van Savages in gedachten had, was het publiek plezieren. Dat stond er dan ook bij en keek ernaar, en nee, dat was allesbehalve een wonder. Nummers als “Obsession” en “Reality” zijn tegendraads en hoekig. Maar je voelde de afstand tussen Beth en het publiek steeds verder uitgroeien tot een kloof. Dat het bijna een volle minuut duurde voor iedereen doorhad dat Beth “Army of Me” van Björk in de vernieling stond te coveren in een overstuurde geluidsmix, hielp de zaak evenmin. Er is zeker en vast een tijd en plaats voor eigenzinnige artiesten als Jehnny Beth, maar het podium van Cactusfestival rond vijf uur in de namiddag bleek dat niet te zijn.
Los Bitchos

© CPU – Mathias Verschueren (archief)
Waar Jehnny Beth voor Cactus duidelijk als een miscast aanvoelde, verging het Los Bitchos gelukkig heel wat beter rond halfzeven. Het was officieel aperitiefuur in het Minnewaterpark en Los Bitchos fungeerde dan ook als de perfecte zomerse soundtrack op de achtergrond. Denk aan Khruangbin, maar dan na twee flessen tequila op een strandfeest. Het resulteerde in een concert dat niet meteen de volle aandacht kreeg die het misschien verdiende, maar dat desalniettemin een treintje was waar je makkelijk je wagon aan kon koppelen.
Nummers als “Talkie Talkie, Charlie Charlie” zijn dan ook aanstekelijk zomerse deuntjes waar je makkelijk je heupen op kon laten wiegen. Je kan makkelijk opperen dat Los Bitchos constant uit hetzelfde Zuid-Amerikaanse vaatje tapte, maar de guacamole pakte wel. De dames gaven dan ook een optreden dat weliswaar voor velen zomerse deuntjes op de achtergrond waren, maar dat tegelijk enorm complementair was met de zomerse vibe in het park.
Osees

© CPU – Nathan Dobbelaere
Osees blijft een stelletje eigenzinnige herrieschoppers, het soort band dat om de haverklap van naam lijkt te veranderen en graag met de verwachtingen loopt te fucken. Welke naam het beestje ook heeft, er is een constante en dat is de energie waarmee de band van John Dwyer speelt. Met nummers als “Carrion Crawler” en “Crushed Grass” werd het vuur meteen aan de lont gestoken voor een uitbarsting van explosieve riffs en stampende dubbele percussie. Het heerlijke oldschool sfeertje van Osees had het Minnewaterpark meteen in zijn greep. Op enkele meisjes op de eerste rij na die met hun vingers in de oren gedrukt duidelijk al zaten te hopen op “No Sound But the Wind”. Dwyer liet het niet aan zijn hart komen, mikte nog een stevige fluim op het podium en ontbond verder zijn duivels.
“Tidal Wave” deed wat het moest doen, spoelde over het publiek en verleidde sommigen al tot niet al te doordachte pogopogingen. Ondertussen was in het midden van de plankenvloer al een ronduit schattig moshpitje ontstaan en zagen we zelfs al wat crowdsurfers door de security uit de mensenzee geplukt worden. Osees deed niet aan subtiliteiten, rustmomenten of poespas, maar toonde zich het soort band dat blijft raggen. Dat resulteerde in een optreden dat het gaspedaal indrukte en een deel van het anders zo gezapige Cactus mee de maalstroom introk. De stevige goesting waarmee Osees zijn vette sound het Minnewaterpark in slingerde, kon dan ook duidelijk op goedkeuring rekenen op het doorgaans vrij statische Cactusfestival.
The Haunted Youth

© CPU – Nathan Dobbelaere
Dat de band van Joachim Liebens het met de release van het wondermooie Boys Cry Too tot coheadliner van festivals als Cactus ging schoppen, stond in de sterren geschreven. De hype ontpopte tot de bevestiging. Rond half tien werd Cactus met de neus op die feiten gedrukt, toen de band er met veel rook en een oerschreeuw het haast monumentaal aanvoelende “In My Head” afsloot. Binnenkomen met een kopstoot noemen ze zoiets. Ook de loodzware riff van “Castlevania” zette meteen de donkere toon verder. Nee, vrolijk ga je van The Haunted Youth nooit worden, maar wanneer een nummer als “Deathwish” met bezwerende gitaren en zwevende synths dit soort moeilijke onderwerpen om weet te zetten in muzikale emotie, besef je hoe speciaal een band als The Haunted Youth is.
Het was uiteraard niet allemaal doemdenken bij Liebens en zijn band. Zo voelde “Emo Song” heerlijk dromerig met een ontroerend mooie gitaarlijn en kreeg doorbraaksingle “Teen Rebel” de herkenning van Cactusfestival dat voorbehouden is voor de grote hits. Zeker toen die andere vroege hit “I Feel Like Shit and I Wanna Die” er achteraan werd gegooid, bewoog er een zekere ontlading door het Minnewaterpark. Toch voelde je op dit moment duidelijk al de disconnectie tussen die vroege liedjes en de complexere nummers van Boys Cry Too. Het verklaarde meteen waarom “Broken” zijn weg niet meer naar de setlist vond, en de gelaagde pletwals “Murder Me” de plaats inpalmde. Er zijn weinig bands die zoveel kunnen zeggen met zo weinig, en die nagenoeg alle emotionele punch in de instrumentatie kunnen steken als The Haunted Youth op hun recentste plaat.
Het meest prominente bewijsstuk om die stelling te staven is de gutpunch die “Falling Into Pieces” nog steeds is. Het bleek ook nu ruwweg zeven minuten pure instrumentale klasse die zijn grip rond je keel steeds verder verstrakte. De instrumenten zeiden alles wat moest gezegd worden. We zagen tranen opwellen rond ons en ook wij kregen een krop in de keel van de emotionele sloophamer die Liebens en co hanteerden. Wat een fucking bloedmooie song! Even deed The Haunted Youth ons denken aan dat andere Belgische exportproduct Amenra, dat er eveneens een handje van weg heeft om zich vast te bijten in de emotionele slagader.
“Forget Me” voelde even later haast als een uitgestoken hand nadat The Haunted Youth ons emotioneel gevloerd had. Het is het nummer op Boys Cry Too dat misschien nog het meest neigt naar het geluid van de debuutplaat en zorgde voor een straaltje licht na het gitzwarte duister. Afsluiter “Coming Home” bracht ons nog een keer naar de eerste kennismaking met de band en voelde als de gepaste soundtrack bij de eindcredits van een cinematisch aanvoelend concert. Ook op het Cactusfestival was The Haunted Youth weer een collectieve trip naar de donkerste plekken van de ziel, waar je demonen in de ogen kijken de grootste stap op het pad der verlossing is.
Editors

© CPU – Nathan Dobbelaere
De vorige keer dat we Tom Smith aan het werk zagen, vergastte hij ons nog op kleine breekbare liedjes op akoestische gitaar in een volgestouwde KluB C op Rock Werchter. Een dikke week later heeft Smith zijn maatjes Russell Leetch, Ed Lay en Justin Lockey opgetrommeld om aan een run van drie headlinesets op Vlaamse festivals te beginnen met Editors. Voor wie niet helemaal heeft opgelet: nee, Benjamin John Power… beter bekend als Blanck Mass, is geen onderdeel meer van de band. Het voor dit najaar op de planning staande album Surface, Echo & Sound belooft dan ook een terugkeer naar de roots te worden en van de elektronische invloed van EBM is geen sprake meer. Ergens kijken we er met gemengde gevoelens tegenaan, want je kan zeggen wat je wil van EBM, maar het gaf de band na al die jaren eindelijk weer wat peper in haar gat.
Een uitverkocht Minnewaterpark dat al de hele dag reikhalzend uitkeek naar de band uit Birmingham, dacht daar duidelijk anders over. Dat at namelijk al van bij de start uit de charismatische hand van Smith. Nu koos de band uiteraard wel voor het makkelijke charmeoffensief. Als je al in het begin “The Racing Rats” als lekkere kluif voor de leeuwen kan gooien, dan heb je meteen het publiek in je achterzak zitten. De op dit punt haast iconische piano-intro van het nummer zorgde dan ook voor een golfje euforie waar de band lekker op kon verder surfen. Dat Smith goed bij stem was en overheerlijk voluit ging in de dramatische brug van het nummer hielp uiteraard ook. “Munich” nam met dat springerige gitaarlijntje en meezingbare refrein gewoon het stokje over. Goed begonnen is al half gewonnen, zullen we maar zeggen. Na een herkenbaar begin terugschakelen naar een nieuw nummer is altijd een gokje, maar “Call It In” heeft ondertussen al twee maanden de tijd gehad om zijn weg naar de harten te vinden en voelt nu al aan als een blijvertje dankzij de catchy hook van het lied.
Later in de set komt ook die andere nieuweling “The Rush” piepen, zowaar vergezeld door een mandoline, en ook die valt in goede aarde. Het is duidelijk dat na jaren spelen in een elektronische speeltuin de band terug richting traditie trekt en dat werkt donders goed bij het hondstrouwe publiek dat gewoon het klassieke geluid wil horen van de band. Dat krijgen ze dan ook veelvuldig te horen op Cactusfestival, waar Editors een set afwerkt die neerkomt op makkelijk scoren. Na al die jaren weet de band maar al te goed wat een festivalpubliek wil horen, en dat krijgt Cactus dan ook aangeleverd. Gemakzuchtig kun je de band echter geen moment noemen. Nummers als “Sugar” en “A Ton of Love” zijn weliswaar machtige voorzetten, maar je moet de kans als band ook benutten om het publiek te raken. Dat doen Smith en co ook. De frontman was duidelijk goedgezind, zocht veelvuldig de interactie op met de eerste rijen en stopte zijn volledige toewijding in de nummers.
Editors speelt na jaren van excessen en spielereien terug erg ouderwets, maar leek op die manier een frisse adem gevonden te hebben. Nummers als “An End Has a Start” en het nog steeds epische “Smokers Outside the Hospital Doors” werden, ontdaan van alle franjes, dan ook onthaald als oude vrienden, terwijl “The Phonebook” door wederom het gebruik van een mandoline een nieuw jasje kreeg aangemeten dat het als gegoten zat. Cactus liet het zich allemaal welgevallen en ging gretig mee in een greatest-hitsset die culmineerde in een bisronde waarin het obligate “No Sound but the Wind” plaats maakte voor een stevig gespeeld “All the Kings”. Het uitbundige slot van dat nummer zette de deur wagenwijd open voor een lekker uitgesponnen “Papillon”. Editors ging in Brugge terug naar de pure essentie van zijn geluid en voelde op die manier stukken frisser dan we hadden gedacht. De peper is duidelijk nog niet uitgewerkt.
Een krachtige set van een band die na al die jaren zijn status als headliner nog lang niet verloren is, zette een euforisch uitroepteken achter een geslaagde editie van het festival. De zwanen hebben weer iets om over na te praten wanneer de rust terugkeert in de vijvers.
Editors herhaalt dit kunstje binnenkort ook op Suikerrock en de Lokerse Feesten.
Fan van de foto’s? Op onze Instagram staan er nog veel meer!





