
Corpse-paint, een best wel spooky naam en bandleden die eruit zijn als priesterlijke entiteiten. Als je dit zo ziet, dan denk je haast aan een zwaar rockende metalband. Maar schijn bedriegt, want achter al die schmink, gewaden en bezwerende pseudoniemen als Papa Emeritus, inmiddels zijn we toe aan versie vijf in de vorm van V Perpetua, en de Nameless Ghouls, schuilt al jaren een band die alles behalve heavy metal produceert. Nee, Ghost kiest liever de kant van de glanzende melodie en theatrale opbouw, terwijl het al vijf studioalbums doorheen de ringen van de hel banjert. Dit jaar gaat de tocht verder met Skeletá, een album dat opnieuw hulde brengt aan het duivelse decor en trouw blijft knielen aan het altaar van het satanisme.
Want dat satanisme, dat is nog altijd sterk aanwezig, zij het wel deze keer meer als esthetiek dan als inhoudelijk agendapunt. Skeletá omarmt het inmiddels wereldberoemde Ghost-universum vol symboliek, Latijnse titels en religieuze verwijzingen, maar gooit het over een totaal andere boeg. Het is meer persoonlijk, waarbij Tobias Forge zijn blik meer naar binnen richt. Waar op eerdere werken de teksten vooral kritiek uitte op macht en geloof, ligt de thematiek op de nieuwste plaat meer rondom verlies, vergankelijkheid, liefde en verlangen. Misschien is dit nog het meeste voelbaar op “Lachryma”. Als we Google Translate moeten geloven, betekent de titel ’traan’ in het Latijn en dat past perfect bij de toon van het nummer. Forge bezingt er het einde van een relatie alsof hij een grafrede houdt, verpakt in de welbekende bijbelse beeldspraak en theatrale metaforen. Aan de oppervlakte oogt het dus nog altijd als een blasfemisch schouwspel, terwijl onderhuids het gevoel bekruipt dat je luistert naar een melancholisch dagboek in pauselijke vermomming.
Wie hoopt dat Skeletá muzikaal teruggrijpt naar het stevigere werk van Meliora of zelfs Infestissumam, komt bedrogen uit. De nieuwe plaat klinkt vooral als een verder gepolijste versie van het meest recente IMPERA, met nog minder rafelrandjes en nog meer aandacht voor sfeer, melodie en grootse gebaren. Ghost klinkt anno 2025 als een band die niet langer op zoek is naar confrontatie met een stevige gitaar, maar naar het comfort dat pop met zich meebrengt. Synths draperen zich soepel over de meeste nummers, de refreinen zijn breed uitgesmeerd en zelfs de gitaarsolo’s lijken, in tegenstelling tot de riffs van oudere tracks als “Mummy Dust” en “Con Clavi Con Dio”, ontworpen om vooral niemand echt af te schrikken. Het is rock aangelengd met een portie honing om het maar niet te heftig te laten worden. Skeletá is het definitieve bewijs dat de Pope zijn E is kwijt geraakt en nu vooral doorheen het leven gaat als Pop, al lijkt hij hier allesbehalve spijt van te hebben.
Skeletá is namelijk ontworpen voor de grootste podia ter wereld en zal de groep vooral geen windeieren opleveren. Dit is een album dat voor de stadions bedoeld is, met brede refreinen die smeken om meegezongen te worden en strakke producties die tot in elk detail zijn uitgewerkt. Echter is dit ook meteen het grootste struikelblok, want het is allemaal iets te gladjes. De spanning is eruit, het gevaar verdwenen en de duivel doet exact wat het script heeft geschreven. Het is commercieel tot de neten en Skeletá klinkt als een veilig doordachte productie waar geen greintje chaos doorheen mag sijpelen. Nummers als “Guiding Lights”, “Missilia Amori” en afsluiter “Excelsis” zijn schoolvoorbeelden van die brave bombast en klinken aan alle kanten alsof er net iets te veel uren aan de productie is gesleuteld. Het is totaal niet spannend, maar eerder net zo steriel als het operatiekwartier in het ziekenhuis.
Doordat alles tot op het bot is gladgevijld, is ook het probleem ontstaan dat er geen enkele track is die er echt volledig bovenuit steekt. Alles kabbelt voort in een zee van keurige koortjes, netjes afgeborstelde gitaren en zorgvuldig uitgelijnde refreinen, waardoor Ghost zelden zijn kop boven het korenveld uitsteekt. Zelden is echter geen nooit en her der zijn er toch wat momenten waarop de groep iets van oude bravoure terugvindt. Het eerder aangehaalde “Lachryma” weet met zijn slepende tempo en dramatische refrein een gevoelige snaar te raken zonder in kitsch te vervallen, terwijl “De Profundis Borealis” juist weer een beetje durf toont. De track trekt het tempo omhoog en scheurt enigszins doorheen de gladde laklaag heen. Kortstondig wekt de groep de illusie dat het zijn tanden weer wilt laten zien, maar de muilkorf van de productie zit te strak aangetrokken om echt te kunnen bijten.
Al bij al is Skeletá zeker geen mislukking, al speelt de commerciële factor binnen de band inmiddels een te grote rol. Ghost klinkt op zijn nieuwe plaat als een machine die exact weet hoe ze een massa moet bespelen, maar durft daardoor ook steeds minder risico te nemen. De scherpe randjes zijn afgerond, het stof is weggeblazen en de ooit nog rockende band is nu volledig opgepoetst tot een glanzende popact in metalen verpakking. Een theatrale showmachine die nog steeds indrukwekkend oogt en klinkt, al verrast of ontregelt ze zelden nog echt. Wie live een topshow wil meemaken, moet zeker Ghost gaan zien, maar wie het semi-stevige geluid van de vroegere werken zoekt, kan na dit album beter zijn heil zoeken bij een coverband.
Facebook / Instagram / website
Ontdek “Lachryma”, ons favoriete nummer van Skeletá, in onze Plaatje van de Plaat-playlist op Spotify.






