Features, Interviews, Uitgelicht

Interview Noémie Wolfs: ‘Ik vind het superbelangrijk dat mensen hun eigen verhaal in andermans muziek kwijt kunnen’

© Victor Pattyn

Je kent haar wellicht als ex-zangeres van Hooverphonic. Op hun zangeressen blijkt een houdbaarheidsdatum te staan, aangezien er al enkelen de revue zijn gepasseerd. Ondertussen is Hooverphonic verleden tijd voor Noémie Wolfs en staat ze muzikaal op haar eigen benen. In 2016 ze loste haar smaakvolle debuut Hunt You waarmee ze bewees ook solo de moeite waard te zijn. Op 21 februari zag haar tweede album het daglicht. Tijd dus voor een gesprek met de dame.

Sinds kort ligt je nieuwe plaat Lonely Boy’s Paradise in de winkelrekken. Wat is je algemeen gevoel vlak voor het releasen van nieuwe muziek?

Ik ben blij dat het eindelijk uitkomt. We hebben er drie jaar aan gewerkt; hoog tijd dus om het op de wereld los te laten. Tot nu toe ben ik nog niet echt nerveus. De interviews vind ik altijd wel leuk om te doen, maar ik vind het altijd heel spannend wanneer de eerste recensies komen.

Lees je ze?

Ja gij, tuurlijk! Ik lees alles. Veel mensen raden het me af, maar ik kan het niet helpen. Soms word ik daar dan triest van, maar ik kan het ook wel kaderen. Een reactie als ‘Wat een kutplaat’ doet me niet veel. Uiteindelijk ben ik ook maar een mens.

Wat is de inspiratie achter Lonely Boy’s Paradise?

We zijn begonnen met op de songs zelf te werken, aanvankelijk zonder veel inspiratie. Ik heb met heel veel mensen geschreven van het binnen- en buitenland, onder andere in Berlijn, Parijs en Londen. Dat is een groot verschil met de vorige plaat; die schreef ik voornamelijk zelf. In contrast met anderen die veel meer ervaring hebben schrijf ik redelijk traag. Dat maakte me best onzeker, maar ik heb dat losgelaten voor deze plaat. Ik ben uit mijn comfortzone gestapt en heb me volledig in dit avontuur gesmeten. Ik vond het heel leuk om met zoveel verschillende mensen te werken. Het brengt enorm veel inspiratie en nieuwe ideeën met zich mee. Daarbij is het ook leuk om te zien hoe mensen uit Berlijn helemaal anders muziek maken dan mensen uit Parijs. We hebben geprobeerd die verschillende werelden samen te brengen. Ik noem het dan ook een avontuurlijke plaat. Het is voor mij op veel vlakken een collage geworden.

Waarom heb je ervoor gekozen om anderen te betrekken in het schrijfproces?

Als je alleen werkt, kom je al snel vast te zitten. Er is dan niemand die je van nieuwe inspiratie kan voorzien. Ik wou ook gewoon keiveel bijleren op vlak van songschrijven, want daarin heb ik nog een lange weg te gaan. De keuze om specifiek met buitenlandse artiesten samen te werken, was omdat ik mijn horizon nog meer wou verbreden. Buiten de mensen zelf, werkten de steden ook erg inspirerend voor mij. Het songschrijfproces voor deze plaat was dan ook een intense leerschool, maar ik vond het een fantastische manier van werken! Ik denk dat ik op deze manier muziek wil blijven maken: met veel verschillende mensen en vooral mezelf niet beperken tot mijn eigen visie. Ik werk ook gewoon supergraag samen met mensen. Op alle vlakken: ook voor mijn styling, podiumbelichting … Ik ben echt een sociaal dier.

Welke van die steden is je het meest bijgebleven?

(Vastberaden) Parijs. Dat is ook gewoon mijn droomstad. Als ik me het ooit kan permitteren, ga ik er wonen met mijn vriend (Simon Casier, bassist bij Balthazar, nvdr). We zijn net terug van een weekendje Parijs en het was, zoals gewoonlijk, erg tof en inspirerend!

Het album heet Lonely Boy’s Paradise, een beetje een droevige titel.

Het is niet zo droevig als het klinkt. Dat nummer is ook mijn favoriet op de plaat. Het heeft een maffe transformatie doorstaan. Het begon als een simpele popsong van drie minuten maar dan heb ik met de hulp van Yong Yello en Simon er een groot arrangement rond gebreid, waardoor het nu een filmische sfeer heeft. Het is in Berlijn geschreven, meegenomen naar België en dan twee maanden blijven liggen. Dat doe ik bij bijna alle nummers die ik schrijf; ik laat ze een tijdje rusten en beluister ze erna opnieuw om te kijken of het me dan nog aanspreekt. Dat was zeker het geval bij “Lonely Boy’s Paradise”! Bovendien sprak de titel me het meest aan, dus heb ik als ode aan het lied het album ernaar vernoemd.

Wist je meteen welke richting je uit wou gaan voor je tweede album?

Nee, eigenlijk niet. Ik had op voorhand enkele sessies met verschillende producers. Die met Yong Yello was de eerste die me met een goed gevoel achterliet. Wat hij met de demo’s deed, viel direct in de smaak. We hebben dan nog een paar sessies met hem georganiseerd alvorens we hem als definitieve producer kozen. Het was erg duidelijk: dees ist gewoon. Yello is bovendien nog erg jong en is een vat vol creativiteit. Wanneer we op een muzikaal probleem belanden, dan komt hij supersnel met een oplossing. Dat bewonder ik enorm aan hem! Hij is erg getalenteerd, enerzijds als songwriter, anderzijds als producer. In mijn ogen is hij the big next thing in België. Kwaliteit komt altijd bovendrijven; ongetwijfeld gaan we nog van hem horen.

Ik hoor veel Balthazarinvloeden. Was dat een bewuste keuze?

Iedereen lijkt dat te zeggen, ondanks dat het totaal geen bewuste keuze was. Puur toeval. Simon was wel de co-producer, maar hij producet of schrijft niets voor Balthazar, dus daar ligt het volgens mij niet aan. Ik denk dat het zijn basklank is. Eigenlijk waren Gorillaz en Lana Del Rey de grote invloeden, en dat haalt bijna niemand eruit. Toch vind ik Balthazar geen slechte referentie.

Stoort het je dat die link wordt gemaakt?

Nee, helemaal niet. Ik ben ook gewoon een keigrote fan.

Verbeter me gerust als ik fout ben, maar voor mij klinkt je vorige album eerder melancholisch, terwijl Lonely Boy’s Paradise meer een elektronische en dansbare toer op gaat.

Dat zit volgens mij vooral in de productie. We hebben enorm geëxperimenteerd met beats en buitenlandse percussie-instrumenten. Yong Yello heeft ook een hiphopachtergrond, iets waar ik totaal niet thuis in ben. Ik vond het interessant om die hiphop met mijn melancholiek te combineren, want ook al klinkt deze plaat dansbaarder dan de eerste, de teksten zijn nog steeds donker.

Een interessant contrast allerminst.

Dat is wat ik juist chique vind. Neem nu bijvoorbeeld “Dancing on My Own” van Robyn. Iedereen staat daar keihard op te dansen maar eigenlijk is die tekst megadroevig. Het omgekeerde vind ik ook heel cool: een vrolijke tekst op een traag nummer. Ik probeer met contradictie te spelen. Dat vind ik tof, maar ook belangrijk.

Je werkt voor je muziek samen met je lief, Simon Casier. Hoe verloopt die samenwerking? Ik ga ervan uit dat hij de inspiratie achter enkele nummers is.

Eigenlijk heel vlot. Wij doen alles goed samen. Het is een beetje melig om te zeggen, maar het klopt wel. Voor de vorige plaat werkten we ook al samen en de producer van toen had nog eens niet door dat we een koppel zijn. We houden het professioneel, maar het is fijn om samen te werken met iemand die je honderd procent vertrouwt. Hij is eigenlijk een soort van mentor voor mij. Je moet tijdens het proces van een album maken iemand vinden die je visie goed begrijpt én merkt waar je naartoe wil gaan. Op dat vlak heb ik met Simon en Yello twee geweldige partners gevonden. Zij zijn bovendien theoretisch onderbouwd; ik niet.

Ben je dan niet geschoold in de muziek?

Nee, ik kan niet spreken in noten of muziektermen. Wanneer zij de arrangementen en dergelijke bespreken, val ik dus uit de lucht. Ik weet dan niet goed waar het over gaat. Bij mij is alles redelijk intuïtief. Simon begrijpt al snel wat ik bedoel en vertaalt het in muziektermen en krijgt zo iedereen back on track. Aanvankelijk was het niet de bedoeling dat Simon zou meewerken aan deze plaat, want hij deed de eerste al en ik wou iets anders voor de volgende. Maar uiteindelijk waren Yello en ik het erover eens dat Simon een absolute meerwaarde is.

Worden de teksten persoonlijk opgevat?

Goh, ik ben iemand die niet erg persoonlijk schrijft. Niet dat het onpersoonlijk is, maar ik probeer geen eigen verhalen in mijn muziek te steken, simpelweg omdat ik het moeilijk vind om erover te zingen. Ik heb niet de behoefte om de dingen die ik meemaak te delen met de wereld. Sommige verhalen in de nummers gaan over vrienden, andere zijn dan weer volledig fictief, nog andere zijn gebaseerd op een film … Ik heb nog nooit een nummer over mijn lief geschreven; ik vind er de juiste woorden niet voor. Vervallen in de clichés van ‘Oh baby, I love you and I need you’ is ook maar niets.

Iemand vertelde me onlangs dat hij een situatie zoals beschreven in “On the Run” heeft meegemaakt. Ik vind het supercool als mensen hun eigen verhaal in mijn muziek vinden. In het algemeen vind ik dat belangrijk in muziek. Bij Hooverphonic bijvoorbeeld, ik vroeg nooit aan Alex waar de teksten over gingen. Ik zorgde dat ik in zijn woorden mijn eigen verhaal kwijt kon.

In je bio las ik dat deze plaat dichter bij je staat dan de vorige. Op welke manier?

De vorige plaat hebben we op nog geen jaar gemaakt. Ik denk dat deze dichter bij me staat omdat we er zo lang aan werkten. Het heeft me echt deugd gedaan om er op mijn gemak over na te denken, om te zoeken naar wat ik echt wil, om aan de teksten te werken. We hadden ook veel meer nummers klaar om uit te kiezen, ongeveer vijftig.

Was het dan moeilijk om een selectie te maken?

Eigenlijk niet. We hebben vooral gezocht naar nummers die samenhangen. De nummers die de plaat niet hebben gehaald waren goed op zichzelf, maar pasten niet binnen het geheel dat ik voor ogen had. Ik ben er erg tevreden mee. Ik sta er gewoon driehonderd procent achter. Als de plaat niet aanslaat kan ik mezelf nog steeds in de spiegel aankijken, want ik ben trouw aan mezelf gebleven. Ik zou het mezelf blijven verwijten moest ik muziek hebben gemaakt voor de commerce, vooral als die dan niet eens in de smaak valt bij het publiek.

Wat betekent het nummer “Hunt You” – het eerste nummer dat je zelf schreef – op de dag van vandaag nog voor je?

Ik vind het nog steeds een van de beste nummers op die plaat. Ik herinner me nog perfect waar en in welke omstandigheden ik het heb geschreven. Vermoedelijk ga ik dat ook bij deze plaat hebben en dat vind ik wel tof! Het geeft me een fotoalbumgevoel.

Je bent nu al een tijdje als soloartiest bezig, maar hoe blik je eigenlijk terug op je tijd met Hooverphonic?

Ik vond het super! Ik heb me echt rot geamuseerd! Het was wel een cursus snel volwassen worden, want ik was net klaar met school. Opeens moest ik verantwoordelijk zijn en was het heel belangrijk dat ik mijn stem in topconditie hield. Als er een show moest worden geannuleerd omdat ik ziek was, hing daar veel van af. Maar uiteindelijk was het de max; de tours, de videoclips, de fans … Ik denk nog vaak terug aan die tijd.

Stoort het je dat mensen je nog steeds associëren met Hooverphonic?  

Nee, ik heb nu eenmaal bij hen gezongen. Het stoort me wel wanneer interviews meer over Hooverphonic gaan dan over mijn soloproject. Dat gebeurde wel vaak bij de promo voor de eerste plaat.

Wat is volgens jou de beste setting om Lonely Boy’s Paradise te beluisteren?

Persoonlijk luister ik graag muziek in de auto, liefst ‘s nachts. Dat vind ik wel passen bij deze plaat. We hebben er ook ontzettend veel tijdens de nacht aan gewerkt. Als ik een plaat echt goed vind, dan koop ik hem zowel op vinyl voor thuis, als op cd voor in de auto.

Binnenkort sta je in de AB. Zie je het zitten?

Met de vorige plaat hebben we dat ook al gedaan, maar ik kijk er opnieuw megahard naar uit! De AB is gewoon een supertoffe zaal. Het is een eer om daar te mogen staan.

Op 7 maart stelt Noémie Wolfs haar nieuwe plaat voor in de AB. Tickets zijn voorlopig nog te verkrijgen.

3 maart 2020

About Author

Babette Rogiers


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Nieuwsbrief