Features, Interviews, Uitgelicht

Interview Tamino: “Artiesten moeten mensen samenbrengen”

Het is een warme oktoberdag. In een Antwerps café zitten vier vrienden druk te praten. Ze slaan geen acht op de jongeman in zwarte coltrui. Tamino zelf ziet er ontspannen uit. Niets aan hem verraadt dat hij het afgelopen anderhalf jaar alomtegenwoordig was. Op de radio, op festivalpodia en in uitverkochte concertzalen. Stukje bij beetje de wereld veroverend. En dat was nog maar een begin. Vrijdag kwam Amir uit, zijn prinselijke debuut. Hij neemt nog een slokje water. “Misschien ben ik zo kalm omdat ik er zo lang aan heb kunnen werken. Het is een album geworden zonder compromissen. Helemaal wat ik wou.”

Je stapte eerder dit jaar over naar Communion Records. Hoe verloopt die samenwerking?

Het is vooral een heel fijne samenwerking. Communion heeft hier en daar wat suggesties gedaan, maar ik mocht uiteindelijk helemaal mijn zin doen. Bovendien komt mijn plaat nu ook internationaal uit. Het idee dat mijn debuutplaat in winkels in pakweg Australië of de VS zal liggen vind ik waanzinnig.

Heeft het feit dat je plaat wereldwijd verschijnt je manier van schrijven beïnvloed?

Nee, wanneer ik nummers schrijf, denk ik nooit na. Ik kan het niet beïnvloeden. Inspiratie komt ook nooit eerst. De handeling van het nummer schrijven moet eerst gebeuren voor de juiste ideeën komen. En vanwaar de ideeën komen (heft handen in de lucht), dat weet ik ook niet. Leonard Cohen zei ooit: “If I knew where songs came from, I would go there more often.” Dat geeft het voor mij treffend weer. Al zal afgelopen anderhalf jaar waarschijnlijk wel onbewust hebben meegespeeld. Niet zozeer de verwachtingen, maar meer wat ik geleerd heb. Mijn samenwerking met PJ en Jo (PJ Maertens en Jo Francken produceerden het album, nvdr) is voor mij heel leerrijk geweest.

Je hebt in dat anderhalf jaar ook op veel verschillende plaatsen gespeeld, ook in het buitenland. Reageren mensen daar anders dan in België?

Nee, ik merk niet echt een verschil. In België kennen mensen mij natuurlijk als “winnaar van Nieuwe Lichting” en ik ben ook heel dankbaar dat Studio Brussel mijn muziek draaide. Zo kon ik veel mensen bereiken en dat heeft heel wat dingen in een stroomversnelling gebracht. Maar in het buitenland gaat het gek genoeg ook snel. Uiteindelijk draait het gewoon om de muziek. Mensen luisteren en oordelen op de muziek. Dat is overal hetzelfde.

Je bent alleszins een graag geziene gast. Je speelde in Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland en zelfs Turkije. Ben je graag onderweg?

Ik zie graag mooie plekken en er zit een zekere schoonheid in dat routineuze leven. Het geeft soms extra gewicht aan een show: je hebt eerst zes uur gereden naar je venue, vervolgens daar nog eens vier à vijf uur gewacht. Alles bouwt op naar dat ene uur waarin je optreedt. Dan moet alles gebeuren. Ik vind dat wel cool. Alleen zit ik niet zo graag in het busje.

Ben je snel wagenziek?

Nee, dat valt goed mee. In tegenstelling tot onze drummer kan ik zelfs nog een boek lezen.

Wat lees je dan zoal?

Oh, van alles. Ik heb steeds een exemplaar van “De Profeet” van Kahlil Gibran bij me. Af en toe herlees ik nog eens een hoofdstuk. Verder heb ik ook recent “De Gebroeders Karamazov” gelezen. De thema’s die Dostojevski daarin aanhaalt, het goddelijke, het apatische en de wisselwerking tussen beide, zitten ook verweven in mijn album. “De Ondraaglijke Lichtheid van het Bestaan” heb ik ook onlangs gelezen. Ik hou heel erg van het contrast, de tegenstellingen die in het boek staan. Ontroerend hoe iets voor de ene mens heel zwaar kan zijn en voor de andere mens net heel licht.

Het houdt je duidelijk bezig.

Ja, die gelaagdheid fascineert me wel. Neem nu “De Zonnebloemen” van Van Gogh. Als je oppervlakkig kijkt, zie je gewoon een boeket lelijke onrealistische zonnebloemen, maar als je gelaagdheid omarmt kan je nog veel meer zien. Ik merk dat het ook de manier is waarop ik kunst beoordeel. Hoe gelaagd is het? Kan het mij blijven fascineren? Als ik een plaat beluister en ik hoor iedere keer iets nieuws dan is dat voor mij een gelaagde plaat en zal die mij lang bijblijven. Als ik een nummer direct doorzie, verlies ik mijn interesse.

Streef je gelaagdheid ook na in je eigen muziek?

Ik denk dat ik dat van nature de diepte opzoek. Een mooi voorbeeld daarvan op mijn eigen plaat is een nummer als “So It Goes”. In wezen gaat het nummer over apathie, over niet alert zijn voor schoonheid terwijl het door het orkest net heel groots en majestueus klinkt. Bijna romantisch. Ik vind dat een heel mooie tegenstelling. Kijk bijvoorbeeld ook naar de muziek van Stromae. Schoon toch, hoe iedereen daar staat te springen en dansen op een nummer dat eigenlijk gaat over opgroeien zonder vader. In interviews krijg ik vaak de vraag “Je muziek is tamelijk donker. Ben jij een donkere persoon?”, maar ik ervaar mezelf helemaal niet zo. Ik omarm alleen een bepaalde melancholie. Ik denk dat ik hierdoor een voller, een vollediger bestaan leidt.

In Winteruur betreurde je dat verdriet nog te vaak wordt genegeerd. Ben jij de vaandeldrager der melancholici?

Wat mij vooral stoort is dat verdriet wordt beschouwd als iets negatief. Je gevoelens niet omarmen, dàt zorgt pas echt voor problemen. Maar ik zie mezelf niet als een vaandeldrager. Ik maak ook geen muziek vanuit een actueel standpunt. Een nummer komt zoals het komt.

In “Persephone” kruip je in de huid van Hades. Greep je bewust terug naar de mythologie?

Niet per se. “Persephone” begon aanvankelijk als een redelijk persoonlijk nummer. Op een bepaald moment zag ik parallellen tussen mijn tekst en het verhaal van Persphone. Toen heb ik er wel bewust voor gekozen om de symboliek van de mythe te gebruiken om mijn verhaal te kunnen vertellen. Enerzijds uit zelfbescherming: het staat op de plaat en ik moet het elke avond zingen. Anderzijds ook om aan te tonen dat de verhalen die vroeger geschreven zijn nu nog steeds heel actueel zijn. Ik ben erg blij met het resultaat. Maar voor alle duidelijkheid, het is geen nummer over de mythe. Al integreerden we in het clipje wel een knipoog naar de onderwereld.

Voor je clipjes werk je vaak samen met je broer. Dat resulteert in visueel interessante video’s. Hoe goed vertaalt je broer jouw muziek naar beeld?

Heel goed, ik werk graag met hem samen. Eerst schrijf ik voor hem een documentje waarin ik verduidelijk wat het nummer voor mij wil zeggen. Luisteraars mogen zeker een eigen interpretatie van een nummer maken, maar wanneer ik met mijn broer een clip maak, vind ik het belangrijk dat we volledig op dezelfde golflengte zitten. Eens alles uitgeklaard is, bedenken we samen een concept dat we daarna uitwerken. Het verloopt allemaal heel natuurlijk.

In je recentste video, “Tummy”, loop je rond als farao. Vanwaar komt dat idee? Is het een knipoog naar je Egyptische roots?

Met de clip wilden Ramy, Bastiaan (Lochs, die meewerkte aan het concept en de regie, nvdr) en ik een algemene waarheid neerzetten: je kan niet weglopen van wie je eigenlijk bent. Je moet je talenten omarmen. Net zoals het levend standbeeld elke dag opnieuw in die gedaante wakker wordt, zal je talent je achtervolgen wanneer je ervan wegloopt. Vandaar de regel “making something of me”. Eigenlijk heeft “Tummy” een heel simpel thema, maar het zijn tegelijkertijd ook een van de meest abstracte lyrics die ik geschreven heb. Dat ik een farao speel is eigenlijk een parodie. Wanneer je zegt dat je een halve Egyptenaar bent, denken mensen meteen aan farao’s en piramides wat totaal niet overeenstemt met de Arabische cultuur die ik ken. Dus toen we ervoor kozen om met een levend standbeeld te maken – zij overleven net zoals muzikanten op aandacht van mensen – hebben we dan meteen beslist om er een farao van te maken.

Zijn lyrics een belangrijk onderdeel van een nummer of primeert voor jou vooral de muziek?

Lyrics zijn voor mij van enorm groot belang. Ik kan me enorm ergeren aan slechte teksten. Dan luister ik gewoon niet meer. Als ik niet het gevoel heb dat ik iets zeg in een nummer breng ik het niet uit.

We weten al dat je voor “Indigo Night” met Colin Greenwood samenwerkte. Maar ook Inne Eysermans (voormalige frontvrouw van Amatorski) leverde een bijdrage aan je album. Zij ging aan de slag met cassettes met opnames van je grootvader. Hoe is dat gegroeid?

Het was eigenlijk een idee van Jo Francken. We misten nog enkele stoorzenders en wisten dat zij daarvoor de juiste persoon was. De eerste keer dat ik Inne zag optreden met haar tapes en rare geluiden was ik helemaal onder de indruk. Geniaal! Ik wilde haar niet zomaar wat cassettes geven van de eerste de beste band. Het moest iets zijn dat, net zoals alle andere elementen op de plaat, heel dicht bij mij lag. Daarom koos ik voor de cassettes van mijn grootvader. In één nacht maakte ze dertig ideeën waarmee wij dan aan de slag zijn gegaan.

Is het een soort eerbetoon geworden?

Ik vind het vooral symbolisch heel mooi. De nummers zijn zo hard in soundscape getrokken dat ze niet meer herkenbaar zijn. Maar toch, als het van een of andere random band geweest was, had ik liever gewoon geen soundscape gebruikt.

Is er bepaalde muziek die je heeft geïnspireerd bij het maken van dit album?

Ik maak nooit muziek vanuit muziek, maar de Arabische orkesten uit de jaren 50, 60 waren heel inspirerend. Niet alleen hun sound, maar ook de traditie erachter. In zulke orkesten primeert melodie over harmonie. Alle muzikanten spelen mee met jouw melodie wat een enorme grootsheid in je compositie teweegbrengt. Dat wilde ik ook op mijn album.

De Arabische invloeden zijn inderdaad prominenter aanwezig op Amir dan op je EP. Is dat een bewuste evolutie?

Zeker. Ik wou nooit iets forceren dat er niet was, maar op bepaalde nummers waren de Arabische elementen zo prominent aanwezig dat ik dacht: “hier gaat dat kloppen”. De vermenging Arabisch orkest en Arabische percussie met elektronica zoals in “So It Goes” en “Each Time” vind ik heel geslaagd.

Tot slot, is er een speciale boodschap die je wil meegeven met dit album?

Nee, toch zeker niet van tevoren bedacht. Ik maak ook geen muziek vanuit een actueel standpunt, maar ik denk wel dat de thema’s op de plaat heel universeel zijn waardoor het hopelijk voor veel mensen iets kan betekenen. Eigenlijk is de boodschap van elke artiest gewoon liefde. Voor mij heeft een muzikant maar één job: mensen samenbrengen. Een optreden is een collectieve ervaring, je beleeft samen iets. Daar deel van uitmaken geeft een warm gevoel. Ik hoop vooral dat Amir de mensen bereikt die er iets aan hebben. En dat ik dan voor hen mag spelen.

Tamino stelt zijn debuutalbum drie avonden (29/11, 30/11 en 1/12) op rij voor in de AB.

Website / Instagram / Facebook 

24 oktober 2018

About Author

Matilde Meertens


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Newsletter