Vijfentwintig jaar geleden zette een handvol New Yorkse twintigers met Is This It de rockwereld op zijn kop, en sindsdien torst The Strokes zijn eigen mythe mee. Julian Casablancas, Nick Valensi, Albert Hammond Jr., Nikolai Fraiture en Fabrizio Moretti overleefden de garagerockhype die ze zelf ontketenden, ploeterden door een decennium van halfslachtige platen en onderlinge vervreemding, en herrezen in 2020 met The New Abnormal, de plaat die hen hun eerste en tot dusver enige Grammy opleverde. Dat een band die generaties epigonen voortbracht op zijn dooie gemak zes jaar wacht met een opvolger, zegt veel over hun status: The Strokes hoeft niemand nog iets te bewijzen. De vraag is alleen of de groep dat zelf ook doorheeft. En wat er gebeurt wanneer een band die vraag tot onderwerp van een hele plaat maakt?
Op papier oogt alles nochtans veelbelovend. De band trok zich terug in Costa Rica, speelde er dagelijks in openlucht met zicht op zee, en werkte opnieuw samen met Rick Rubin, wiens aanpak door alle betrokkenen in haast religieuze termen wordt bezongen. Casablancas noemt het zelfs zijn favoriete Strokes-plaat ooit. Maar dat romantische ontstaansverhaal staat in schril contrast met wat er uit de speakers komt: een donker, broeierig album vol gotische orgels, onrustige synths en mineurmelodieën, waarin de grens met The Voidz, Casablancas’ dissonante zijproject, zo bewust vervaagd wordt dat je je afvraagt waarom hier nog een Strokes-logo op staat. De thema’s zijn groots en actueel: consumentisme, politieke verdoving, echtheid tegenover kunstmatigheid, eenzaamheid in een digitale toekomst; op dat vlak heeft de band alleszins nog steeds de vinger aan de juiste pols. Het probleem is niet de ambitie. Het probleem is dat de uitvoering die ambitie stelselmatig in de weg loopt.
De grootste boosdoener heeft een naam: autotune. Wat op The New Abnormal nog een accent was, is hier een doctrine geworden. Rubin plaatst Casablancas’ stem prominent vooraan in de mix en haalt die vervolgens door zoveel vocale bewerking dat er een leeggelopen robot overblijft. De band verdedigt het als concept; de spanning tussen mens en machine, maar een concept dat je belet om van de songs te genieten, is geen concept meer, het is een handicap. Leadsingle “Going Shopping” illustreert het pijnlijk: Moretti’s kurkdroge precisie en het gitaarvlechtwerk van Valensi en Hammond Jr. leveren de beste instrumentale passage van de plaat, en net dan wordt de zang zo onnatuurlijk veranderd. Is dit de band die ooit “Last Nite” schreef? Een scherpe tekst over koopverslaving en politieke gemakzucht verdrinkt zo jammer genoeg in zijn eigen gimmick.
Het wrange is dat de plaat zelf bewijst dat het anders kan. Opener “Psycho Shit”, een traag aanzwellende bezwering over roofzuchtig geweld, Gaza en bedrijfsimperialisme, is het enige nummer waarop Casablancas nog onbewerkt zingt en prompt het enige moment waarop de urgentie ook echt binnenkomt. Ook “Falling Out of Love” overleeft de behandeling grotendeels: een spookachtige ballad over een uitgedoofde liefde, met een lage, Cohen-achtige zang en een mellotronpartij die zo uit het vroege King Crimson lijkt weggelopen. Dat het beeld van de eenzame cowboy naadloos aansluit bij de Richard Prince-hoes (Untitled (Cowboy), toont dat er wel degelijk over deze plaat is nagedacht. Maar twee geslaagde nummers op negen is een bedroevend rendement voor een band van dit kaliber, zeker als je weet dat Reality Awaits vier jaar in de maak is geweest.
Want daarbuiten regeert de zelfondermijning. “Lonely in the Future” begint met een vettige hardrockriff en een potentieel vlijmscherpe afrekening met de permanent online generatie, maar Casablancas’ naamdropperij – van The Weeknd tot recensent Anthony Fantano – blijft steken in zelfingenomen gemompel: de veertiger die de jeugd de les leest, is zelden een flatterend genre. In “Dine N’Dash” trekt hij de dromerige gitaren onderuit met een Brits nepaccent. “Liar’s Remorse” laat een breekbare bekentenis over liefde en pijn ontsporen met een solo door effectpedalen en een uitroep over toonladders die grappig bedoeld zal zijn. En “The Fruits of Conquest” heeft een ietwat heerlijke swagger in huis, tot discofratsen het nummer definitief onklaar maken. Telkens hetzelfde patroon: een sterk idee, moedwillig kapot gespeeld.
Op Reality Awaits is de eigenaardigheid het doel geworden, en het resultaat voelt zelfreferentieel en, ondanks amper veertig minuten speelduur, tergend lang. Zelfs afsluiter “Tyrants of the Mellow Moon”, nochtans het emotionele zwaartepunt met zijn uitgesponnen prog-solo, mist de landing. En zo eindigt Reality Awaits als een frustrerende plaat: te doordacht om lui te noemen, te zelfgenoegzaam om te omarmen. De sterktes zijn er amper, al blijft het gitaarwerk van Valensi en Hammond Jr. tekens van klasse bevatten. Met maar twee songs die blijven hangen oogt dit toch als een mager beestje. We zijn niet tegen experimenteren, wat zeggen we; grenzen verkennen moet! Maar wanneer het experiment systematisch wordt bedolven onder een vocoder-doctrine die vooral irriteert, dan sla je de bal compleet mis. Misschien moeten Casablancas en zijn kompanen eens terug wat New Yorkse lucht opsnuiven, terug de voetjes op vertrouwde grond planten.
Website / Facebook / Instagram
Ontdek “Dine N’Dash”, ons favoriete nummer van Reality Awaits, in onze Plaatje van de Plaat-playlist op Spotify.






