
© CPU – Nathan Dobbelaere
Tegenwoordig denken veel mensen dat Pinkpop zijn naam van het kleurtje heeft. Niets is minder waar, want de naam komt gewoon van het feit dat het festival altijd op Pinksteren plaatsvond. Althans, tot een jaar of achttien geleden dan, want inmiddels zit het Landgraafse festival zelfs dichter bij de langste dag van het jaar dan bij Pinksteren zelf. Nee, dat ‘Pink’ komt tegenwoordig voornamelijk enkel nog terug in de huisstijl en zo konden ze de naam gisteren beter voor een dagje veranderen in Orangepop. Het festival besloot namelijk voor het eerst in lange tijd toe te geven aan het toch wat vreemde idee dat mensen naar een festival afzakken om voetbal te kijken en stalde een groot scherm neer, waardoor de wei gedurende de dag meer op een fanzone dan op een festivalweide leek. Wij kwamen echter wel voor de muziek en die kregen we dan ook, met IDLES, Franz Ferdinand en Soulwax als grootste hoogtepunten.
Hang Youth @ Tent Stage
De spits afbijten was gisteren weggelegd voor Hang Youth, dat op de bloedhete tweede dag in de Tent Stage het publiek wakker schopte met een flinke portie kapitalismekritiek. We kennen de groep als eentje met razendsnelle liedjes en vooral met een grote muil, maar gisteren kreeg die toch behoorlijk wat extra muilen op het podium. Achteraan stond namelijk Het Wilde Wat-koor, een Amsterdams collectief dat voor de verandering werd omgedoopt tot het Hang Youth-koor. Samen met frontman Abel van Gijlswijk zong het gezelschap over Shell, over het zijn van malloten en dat alles in de wereld duur is, zij het wel met de nodige krachttermen. Het gaf het snoeiluide punkgeluid van nummers als “JE HAAT GEEN MAANDAG, JE HAAT KAPITALISME” en “BELASTINGDIENST” een klein, zacht randje. Toch bleef het over het algemeen rauw genoeg om de eerste moshpits van de dag los te trekken bij de heren uit de Nederlandse hoofdstad, waardoor dag twee officieel op hard werd geopend.
Giant Rooks @ North Stage
De Duitse band Giant Rooks opende vol enthousiasme de North Stage. De set werd gevuld met lichte indierock, die op de juiste manier binnenkwam. Op nummers als “Bright Lights” gaf de frontman alles van zichzelf. Met een klim op de piano en daarna een tamboerijn in de hand, lag de inzet goed en dat reflecteerde op het publiek. Ook gebruikte de zanger nog een kleine, extra druminstallatie en dan een akoestische gitaar om zich nog meer uit te leven. De sfeer kwam vanuit de band dus vooral van de frontman, hoewel we over het spel van de andere bandleden ook niet mochten klagen. Ook met een mysterieus featurenummer, deels in het Frans, hoewel de zanger naar eigen zeggen geen woord Frans spreekt, kon de band overtuigen. Vol energie zette Giant Rooks dankzij zijn frontman de dag dus goed in.
HAEVN @ Tent Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
Een koor kon het publiek van de Tent Stage wel bekoren, dus werd ook bij HAEVN een heel zanggezelschap op de planken getrokken. Daar houden de vergelijkingen echter wel op, want waar de voorganger vooral luid was, deed HAEVN het juist een stuk rustiger aan. Met een vol podium aan muzikanten bracht het met zijn dromerige en bijna filmische aanpak het juiste medicijn om de toen al broeierige dag even van een briesje te voorzien, maar door die aanpak bleef het ook niet echt plakken. We kunnen de liefhebbers van de muziek zeker begrijpen, maar voor ons was het allemaal net iets te veel netjes opgediende saaiheid. Pas toen er plotsklaps stevige gitaren door de tent waaiden, werden we echt even enthousiast. Jammer genoeg bleken die gitaren niet van HAEVN zelf te komen, maar van Wodan Boys, dat aan de overkant aan zijn soundcheck begon.
Lauren Spencer Smith @ North Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
De Brits-Canadese Lauren Spencer Smith scoorde enkele jaren geleden een radiohitje met “Fingers Crossed”. Nu met haar tweede album al op zak, deed ze een poging om de North Stage in te palmen. In een mooie, kleurrijke jurk kwam de zangeres met gitaargeleide muziek het podium op. Deze kon ook vaak plaatsmaken voor pianoklanken. Wat bij Spencer Smith vooral de leidraad vormt, is haar soulvolle en in het algemeen volle stem, die hard binnenkomt. Met de rustigere nummers kon haar stem en stijl van zingen ons doen denken aan een combinatie tussen Olivia Rodrigo en Adele. “Narcissist” en “Flowers” waren dan ook mooie voorbeelden van hoe krachtig en innemend Spencer Smiths stem kan overkomen. Deze imponeerde ons dan ook genoeg om ons mee te nemen in de set. Als voorlaatste nummer zorgde “Fingers Crossed” dan nog voor een hoogtepuntje. Lauren Spencer Smith is zo’n zangeres wiens stem je eens live moet ervaren.
Jehnny Beth @ Tent Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
Jehnny Beth had ons als frontvrouw van Savages al helemaal veroverd, maar gisteren mocht ze het met haar soloproject doen. ‘I do everything that men do. But in high heels’, was de lijfspreuk van de Franse artieste en eigenlijk ook meteen de samenvatting van haar passage in de Tent Stage. Al heel snel werd duidelijk dat ze niet naar Pinkpop was afgekomen om het rustig aan te doen, want vanaf opener “Broken Rib” jaagde Beth meteen een ijzingwekkende sfeer doorheen de grote roze tent. “No Good for People” trok die lijn vervolgens nog verder door en maakte van het optreden geen hapklare festivalset voor de mensen die gisteren ook voor Suzan & Freek of HAEVN kwamen, maar wij genoten er met volle teugen van. Beth kroop, blafte en commandeerde alsof de hele tent van haar was, en naarmate de set vorderde, werd dat eigenlijk ook steeds meer het geval. Veel beter dan Joe Talbot van IDLES konden we het later op de dag eigenlijk niet samenvatten: ‘Anything I can do, Jehnny Beth can do in heels. So fuck her!’ Grofgebekt compliment, maar wel eentje dat perfect op zijn plaats viel.
Wodan Boys @ Stage 4
Weet je nog die stevige gitaren die we tijdens HAEVN hoorden? Rond de klok van half drie was het tijd om die een vervolg te geven. Op dat tijdstip begon Wodan Boys met herrie maken vanaf Stage 4 en met de blote bast van bassist Timo Prins glimmend in de zon was meteen duidelijk dat de Haagse band geen zin had in drie rustige kwartiertjes. “Bells” keilde met een rotvaart over de wei en ook “Blindsighted”, dat werd ingeleid door een net iets te onsamenhangend Pinkpop-verhaal van Mikkie B Wessel, mocht op Pinkpop de gitaren flink laten razen. Gelukkig was de set zelf een stuk samenhangender en zeker ook strak te noemen, waardoor het volgelopen Stage 4-veld niet voor niets in de brandende zon stond te bakken. Afsluiten deden ze zoals wel vaker met het cultachtige ritueel rond “Wodan Boys”, waarbij iedereen bijna verplicht met de groep mee zo luid mogelijk de naam van de band moet roepen. Het is iets dat we inmiddels al tientallen keren hebben gezien, maar zat zijn we het nog altijd niet en dus ook deze keer niet. ‘Kunnen we, kinderen?’ Ai ai, kapitein!
Suzan & Freek @ South Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
Suzan & Freek zijn het laatste jaar veel in de media gekomen. Toen Freek een kankerdiagnose kreeg, trok het koppel even de stekker eruit en koos het om niet meer op de planken te verschijnen. Dat duurde echter niet al te lang, want als snel besloten de twee dat optreden voor hen enkel maar goede gevoelens gaf. Daardoor belandden ze ook op Pinkpop, waar met het zachte “Dromen In Kleur” als opener direct een gevoelige snaar werd geraakt. Voor Freek, die vijftien jaar geleden voor het eerst als bezoeker op Pinkpop was, voelde het naar eigen zeggen als een droom die uitkwam. Nummers als “Blauwe Dag” en “Kwijt” gingen vlot in het oor, maar bleven nog altijd laidback in de stijl van het koppel. Freek benadrukte dan ook het leven in het nu, wat voor hen belangrijker dan ooit is geworden, een leidraad zou moeten zijn. Het duo bracht dus een mooie, maar vooral oprechte set.
Jesse Hoefnagels @ Sun Stage
YouTubers zijn de nieuwe supersterren! Althans, sommigen dan. Of Jesse Hoefnagels dat gaat worden, durven we voor nu niet te zeggen, maar op het zonovergoten Sun Square stond rondom de Sun Stage in ieder geval genoeg volk klaar om hem een halfuurtje aan het werk te zien. Hoefnagels maakt sinds een aantal jaar best aanstekelijke muziek met “SITU” als waar hoogtepunt en live kwam dat op een warme festivalmiddag best aardig uit de verf. Echt lang blijven plakken konden we niet, we waren immers op weg naar LEAP, maar het kleine stukje dat we meepikten, liet in ieder geval een feestelijke stemming na. Misschien die Sun Stage volgend jaar toch net iets dichter zetten.
LEAP @ Stage 4

© CPU – Nathan Dobbelaere
Als je als niet-Nederlandse band een ‘No Guts No Glory’-shirt aanhebt, dan heb je wat ons betreft al gewonnen. De stichting vervult muzikale wensen van mensen met kanker en hun mantelzorgers. Hoe schoon is het dan dat een Britse band die boodschap mee het podium opneemt op een Nederlands festival? LEAP-frontman Jack Balfour Scott had het shirt gisteren aan op Stage 4 en wist daarmee nog voor er één noot gespeeld was al wat sympathie te winnen. Na die eerste noot trouwens ook, want de Londense band bleek live ook muzikaal genoeg in huis te hebben om die voorsprong vast te houden. LEAP grossierde in grootse indierock met refreinen die duidelijk voor volle velden gebouwd zijn, maar wel met genoeg zweet op het voorhoofd om het niet te klinisch te maken. Gooi daar ook nog een volle bak energie op en je krijgt een optreden dat nog zeer vermakelijk was. Onthoud deze woorden: LEAP maakt binnenkort gewoon de sprong naar een groter podium.
Sofi Tukker @ North Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
Tja… dj-acts op de hoofdpodia van Pinkpop, wij blijven er geen fan van. Een aantal jaar terug zagen we Calvin Harris headlinen en dat trok, als we de hitjes wegdenken, op niet veel. Datzelfde konden we gisteren ook zeggen over Sofi Tukker. Het tweetal bracht een karrevracht aan meezinghits mee naar het Nederlands-Limburgse festival, maar het had net zo goed van een bandje kunnen komen. Sophie Hawley-Weld, zangeres van de twee, bracht hier en daar nog best leuke dingen, maar haar creatieve partner Tucker Halpern, plaatjesdraaier en eveneens roeper van dienst, bleef vooral iemand die op knoppen drukte en het publiek wat opzweepte. Toch wist het tweetal de toeschouwers aardig te vermaken, die op hun beurt gewillig stonden te zwaaien, dansen en springen op de maat van de muziek. “House Arrest” was het hoogtepunt van de show, maar dat konden we net zo goed op ieder willekeurig moment op onze telefoon opzetten.
The Haunted Youth @ Tent Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
Belgische trots op het podium van de Tent Stage, want The Haunted Youth mocht voor de tweede keer in zijn bestaan aantreden op Pinkpop. Dat is op zich al behoorlijk straf, zeker omdat Joachim Liebens en de zijnen nog niet al te lang meedraaien in het grotere festivalcircuit. Toch voelde het optreden nergens als een opvullertje, want met het recente Boys Cry Too op zak klonk The Haunted Youth intussen zelfverzekerder dan ooit. Onder het toeziende oog van het albumlogo, dat hoog boven de band zweefde, liet de groep de galmende gitaren door de tent waaien, terwijl nummers als “Broken” en “Teen Rebel” nog altijd dat vertrouwde laagje weemoed over zich heen droegen. Het zwaarste moment kwam wel met de passage van “deathwish”, waarin de dromerige galm even plaatsmaakte voor iets dat onder de huid kroop en daar zijn sporen achterliet. Een nummer dat zo openlijk langs suïcidale gedachten gaat op een festival blijft toch even slikken, hoe mooi de verpakking ook klinkt. Praat erover, alsjeblieft.
Franz Ferdinand @ South Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
Franz Ferdinand, de Schotse band rond frontman Alex Kapranos, nam naar Landgraaf zijn valies vol lekkere gitaardeuntjes mee. Vanaf opener “The Dark Of The Matinée” was het al van dat. Kapranos is dan ook het soort figuur dat, met enige nonchalance, respect oproept. Zo kon hij, eenmaal zonder gitaar, al springend over het podium klasse neerzetten. Hoewel het publiek al vanaf het begin mee was, kon “Do You Want To” de gemoederen en de danspasjes nog wat versterken. Ook wanneer Kapranos op het publiek inspeelde tijdens de bridge, stond iedereen paraat. Dankzij wat wisselwerking qua vocals met de keyboardspeler, werd de set doorheen ”Evil Eye” ook verder spannend gehouden.
De band bestaat dan ook al zo’n twintig jaar en weet nog steeds een show neer te zetten die niet ineenzakt. Dat lijkt gemakkelijk met het energieke repertoire van Franz Ferdinand, maar de band weet dat tikkeltje spanning te behouden om te zorgen dat het niet eentonig wordt. Dat met onder andere de juiste publieksinteracties tijdens de enthousiaste momenten. Ook met nummers als “Love Illumination” kon de groep het publiek gretig laten klappen. De aanstekelijke riffs konden dan bijna als verfrissing aanvoelen in de immense warmte. Het is een kunst. Zoals het ritueel geschiedde was het dan festival- en in het algemeen bandklassieker “Take Me Out” die de weide makkelijk aan het springen kreeg. Toch was het nog niet gedaan. Nog enkele nummers zoals het elektronischere “Hooked” en het oudere “This Fire” konden mooi weerklinken. Zo zette Franz Ferdinand een punt achter een formidabele set.
IDLES @ North Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
Waar zijn toch ineens al die oranje shirts gebleven, vroegen we ons af aan het begin van IDLES. Een paar uur eerder leek de wei nog op een fanzone, maar zodra Joe Talbot en co de North Stage opstormden, was van die voetbalgekte op het terrein opvallend weinig meer te merken. Achteraf bleek dat de Oranje Leeuwen, zeg maar de Nederlandse equivalent van onze Rode Duivels, zich precies op dat moment klaarmaakten om tegen Zweden een potje te gaan ballen, waardoor het terrein aan een ware volksverhuizing deed. Talbot gaf er, als we zijn grofgebekte mening moeten volgen, geen fuck om zolang Wales niet speelde, dus kon hij zich volledig richten op de mensen die wel voor een portie gitaren waren blijven staan.
Dat waren er nog altijd genoeg, en die kregen prompt een van de beste shows van de dag voor hun neus gegooid. IDLES had namelijk amper tijd nodig om de North Stage bij de lurven te grijpen, want met “Levitator” en “Never Fight a Man With a Perm” werd de wei al vroeg stevig wakker geschud. Daarna hield de band het gaspedaal diep ingedrukt met onder meer “Mother”, “Gift Horse” en “Danny Nedelko”, terwijl Joe Talbot als een bezetene over het podium raasde en zijn gitaristen er nog een schep bovenop deden door zich geregeld te midden van het publiek te begeven. Tussen de rake klappen door vlogen de politieke statements in het rond, met tijdens “The Wheel” wel het duidelijkste voorbeeld van stellingname. ‘Can I get a hallelujah?’ werd op het einde vervangen door ‘Viva Palestina’ en veel duidelijker moest IDLES zijn punt niet maken.
Om het terug iets luchtiger te maken zette de groep tegen het einde nog “All I Want for Christmas Is You” in, waardoor de North Stage bij vijfendertig graden heel even veranderde in de vreemdste kerstmarkt van Limburg. Lang in de meligheid bleven we gelukkig niet hangen. Een IDLES-concert blijft natuurlijk een zeer serieuze zaak van internationaal belang. Zeker wanneer “Rottweiler” nog als laatste brok razernij door de speakers moest. Talbot en zijn kompanen beten zich nog een keer stevig vast in de wei en lieten de North Stage achter met het soort ontlading waarvoor IDLES inmiddels een patent lijkt te hebben. Was dit het beste wat gisteren op de North Stage stond? Wees daar maar zeker van!
Alessi Rose @ Tent Stage
De Britse opkomende popster Alessi Rose komt braaf en onschuldig over, maar bracht tijdens de eerste nummers al een ruig randje teweeg met de gitaarversterking. Dit contrast speelde ze zelfs uit in de achtergrond, dat een kerkraam voorstelde. “imsochillandcool” kwam dan iets meer poppy over, maar had de juiste sfeer om te entertainen. Rose schotelt haar publiek qua inhoud voor wat voor de meeste jonge twintigers, zoals zijzelf, relevant is: liefdesperikelen en alles daaromheen. “First Original Tought” bleek zo een geslaagde uithaal naar het jonge mannelijke ras, waar Rose dan waarschijnlijk ook vaak zelf mee geconfronteerd wordt. Zo gaf “Get Around” daarna meer een verlangend gevoel tegenover een man qua tekst, lang leve de tegenstrijdigheid. De zangeres laat haar pop op een muzikaal ruigere manier overkomen, en dat kan wel smaken. Ook de ‘introspectieve sectie’ kon dan zijn plaats in de set claimen, met natuurlijk een akoestische gitaar in de hand. Met “Same Mouth” kwam de energie er dan naar het einde toe weer in. De kracht bleef er dan nog even inzitten en zo rondde Alessi Rose een waardige set af.
Editors @ South Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
Met Editors stond weer een geliefde festivalband op de South Stage. De groep komt wel vaker terug naar de Lage Landen voor een festivalletje en zo staat ze dan ook drie keer in België deze zomer. Pinkpop is hier in Nederland nochtans de enige passage. Waar we dan hoge verwachtingen hadden voor een grootste show, vonden we het nu wat simpel en sober. De stem van frontman Tom Smith stelde daarentegen niet teleur. Deze diepe en ruwe vocals brachten dan vooral de leidraad in de set die wat muzikale en energieke magie miste. De nummers waren ietwat langdradig en brachten niet de energie met zich mee die we van de band verwachtten. Qua spel was er niet veel op te merken en kon vooral “Papillon” uiteindelijk nog meeslepen. Deze show van Editors was niet wat we ideaal gewild hadden als voorlaatste op de South Stage, maar kon nu en dan wel vermaken.
Soulwax @ Tent Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
“’t Is 5-1 geworden!” Mocht Soulwax-frontman Stephen Dewaele ooit zijn band aan de wilgen hangen, dan kan de beste man zo terecht als sportverslaggever. Toch waren we vooral voor goede muziek naar de Tent Stage afgezakt en die kregen we dan ook, in overvloed zelfs. Bijna dertig jaar na de laatste Pinkpop-passage van Soulwax mocht de band opnieuw aantreden en dat deed ze met een show die vanaf de eerste tellen strak in de plooi viel. Het had veel weg van een soort elektronische werkplaats, waarin keer op keer een nieuwe beuker door de speakers werd gejaagd. De broers Dewaele lieten hun modulaire toestellen knetteren, piepen en pompen, terwijl we aan het eind ook nog eens de verrassing van het weekend kregen. Doordat Cavalera Conspiracy zijn optreden op Hellfest moest annuleren na een aanrijding met een gans, kon drumlegende Igor Cavalera geheel onverwacht achter een van de drie drumstellen kruipen om de set nog wat extra slagkracht te geven. Precies genoeg om de set richting de perfectie te trekken.
Halsey @ North Stage
Op de North Stage kon ondertussen het ‘The Girl In The Tower’-verhaal van Halsey van start gaan. De zangeres, die al veel gedaantes kende, kwam stijlvol voor de dag om “I’m am not a woman, I’m a god” in te zetten. Daarna kon het eerste hoofdstuk ‘The Mother’ beginnen met vuur op het podium. Met een hoog tempo en wel wat gitaren kon het optreden verder gaan. Hoofdstuk ‘The Maiden’ bracht dan een ietwat hardere versie van “You should be sad”. Op de coole boogconstructie op het podium begaf Halsey zich opeens aan een metalen ketting, waarbij ze zichzelf vergeleek met een vastgeketende hond voor “Dog Years”.
Voor het volgende deel ‘The Mage’ konden de gitaren weer wat luider. Het unieke stemgeluid van Halsey bleek hier nog meer door te wegen en dat kwam aangenaam binnen. Het mysterieuze “The Lighthouse” zorgde ervoor dat de donkere sfeer van het thema werd aangedikt. Met een basgitaar in de hand en wederom vuur op de podiumrand ging Halsey genadeloos verder. Blijkbaar haalde de zangeres, zoals ze zei, de show maar net door pech op de luchthaven, maar wou ze koste wat het kost spelen. Met een akoestische gitaar in de hand begon hitje “Without Me” rustig, totdat de elektrische gitaren in het spel kwamen. Zo bracht de zangeres een sterke versie van het nummer. Met “Experiment On Me” haalde ze zelfs even haar gruntstem boven. Met het korte en laatste deel, ‘They’re Raging At Me’, sloot Halsey haar vurige show af, die zelfs bijna als metal kon geclassificeerd worden. De zangeres bewees hiermee dat ze kracht bezit en weet hoe ze een show moet neerzetten.
The Cure @ South Stage

© CPU – Nathan Dobbelaere
Pinkpop en The Cure delen een rijke geschiedenis. De band stond dit jaar voor de vierde keer op het festival, maar dat had zomaar anders kunnen lopen. Toen Pinkpop in 1985 in een historisch dal zat, bleek de komst van The Cure een jaar later namelijk een gouden zet. De Britse band zat toen op het hoogtepunt van zijn populariteit en hielp het festival weer recht te trekken. Veertig jaar later stond The Cure opnieuw in Landgraaf. Niet meer in zijn absolute hoogdagen misschien, maar dankzij een recente samenwerking met hedendaagse superster Olivia Rodrigo weet Robert Smith tegenwoordig ook weer de aandacht van een jonger publiek te trekken.
Ondanks dat de groep door die recente samenwerking ineens volop in the picture staat bij de jeugd, zijn het toch wel de lange festivalsets die The Cure nog altijd zo bijzonder maken. The Cure kwam niet naar Landgraaf om even snel de hits af te vinken en snel geld te verdienen, maar stak tijd in zijn show. Op het dode gemakje deden Smith en zijn bandleden hun ronde op het hoofdpodium, dat met “Alone” meteen werd ondergedompeld in een donkere, traag openbloeiende sfeer. Een sfeer die vervolgens ook twee uur lang over het terrein bleef hangen, want The Cure bracht een kar vol met gitzwarte melancholie, maar wist daar gelukkig zo nu en dan ook genoeg lichtpuntjes tussen te steken. “In Between Days”, “The Lovecats” en “Just Like Heaven” waren die lichtjes in het donker, al was “Friday I’m in Love”, dat diep in de set verstopt zat, toch wel de grootste zaklamp van allemaal.

© CPU – Nathan Dobbelaere
Dat maakte The Cure niet per se de makkelijkste afsluiter van de dag. Twee uur aan traag uitgesponnen nummers, lange intro’s en amper showelementen vraagt nu eenmaal wat van een festivalpubliek dat er al een bloedhete dag op had zitten. En eerlijk gezegd vroeg dat ook iets te veel van ons. Doordat we de hele dag al stonden te bakken en braden in de felheid van de zon, was het moeilijk om The Cure volledig binnen te laten komen. Helaas waren we niet de enigen die er moeite mee hadden, want na slechts een kwart van de show zagen we steeds meer mensen vertrekken en na een uur stond het veld toch een stuk leger dan verwacht.
Dat lag niet aan Smith en zijn band, want die speelden met klasse en lieten meer dan genoeg horen waarom The Cure nog altijd zo’n monumentale naam is. Tracks als “A Forest” en afsluiter “Boys Don’t Cry” stonden er namelijk nog altijd als een huis, terwijl ook “Charlotte Sometimes”, een nummer dat zelden nog tot de toch al stevige setlist behoort, voor de liefhebbers nog een mooie extra laag aan de avond gaf. Voor de neutrale kijker was het echter gewoon te veel, en na de uitputtingsslag van gisteren was The Cure misschien niet de beste remedie voor menig verbrand Pinkpop-hoofd. Hopelijk komt de groep over twee weken op Rock Werchter beter binnen, maar dat zal waarschijnlijk toch voor een groot deel aan Moedertje Natuur liggen.
Lisa Korver @ Sun Stage
Nu vraag je je misschien af: waar zijn al die mensen heen die bij The Cure doorgingen? Dit jaar boekte Pinkpop voor het eerst in lange tijd niks op de andere grote podia tijdens de headliner, maar gebruikte het de geheel nieuwe Sun Stage als uitwijkplek voor wie de donkere marathon van The Cure iets te veel van het goede vond. Daar maakten best wat mensen gebruik van, want toen we naar Lisa Korver trokken, puilde het podium aan de ingang volledig uit. Er kon geen mens meer bij en ook eromheen was amper ruimte om nog comfortabel te blijven staan, dus werd het op de beats van de Nederlandse dj vooral tegen elkaar aanschuren als enige dansoptie. De muziek die ze bracht stond in ieder geval haaks op de verstilde wereld van The Cure, want Korver gooide er een stevige mix van techno, hardgroove en trance tegenaan die de Sun Stage meteen in een kleine nachtclub veranderde. Dj’s op de hoofdpodia hoeven voor ons niet, maar dit was toch wel een behoorlijk lekker toetje.
Onze recensie van de eerste festivaldag lees je hier.
Fan van de foto’s? Op onze Instagram staan er nog veel meer!
Deze recensies werden geschreven door Bryan Boomaars en Robbie Allemeesch.





