
© CPU – Mathias Verschueren (archief)
Ook op de tweede dag zouden de weergoden dunk!festival niet bijzonder gezind staan. De hele dag door zouden buien de zeldzame zonnestralen afwisselen, gelukkig maar dat de Main Stage zich in een grote tent bevond. De muziek zorgde dan weer voor het mooie weer, want met een eerste passage van We Lost The Sea en afsluiter Caspian stonden er twee kleppers van formaat klaar. Maar ook tussen de minder bekende bands was er veel moois te vinden, denk maar aan Belgen Celestial Wolves en Capitan bijvoorbeeld. In de wijze woorden van het dunk!festivalboekje: ‘een band is meer dan de som van hun commerciële succes.’ Wie zijn wij om dergelijke wijsheid tegen te spreken?
Capitan @ Main Stage
De Belgen van Capitan stonden in 2024 al eens op de programmatie van dunk!festival, toen ze insprongen voor een andere band die last minute moest annuleren, en dat moet goed bevallen zijn aangezien ze dit jaar al opnieuw op de line-up pronken. Gehuld in rook kwam het vijftal het podium op en al snel weerklonk een luide, drone-achtige bas. Langzaam gaf de drummer de maat aan en vielen de gitaren er ijl klinkend in. Er weerklonk ondertussen een gesamplede stem vooraleer de zanger bezwerend aan het prediken ging. Al snel barstte het geheel open, volgde een pittige salvo aan riffs ondersteund door de ondertussen grommende bas en kletterende cimbalen. Zeven minuten lang werden we op dergelijk lekkers getrakteerd, vooraleer het eerste nummer op z’n einde liep; mooi binnenkomen dit. Het brandmerk van de band was duidelijk de lang uitgerekte intro’s die telkens opnieuw uitliepen in een bevrijdende geluidsmuur waardoor de climax iedere keer extatisch voelde. De volle klank die het vijftal dan wist te brengen overspoelde de mensenzee en nagelde ze aan de grond. Wat is dat toch met die openers op dunk!festival?
Onrust @ Forest Stage
Onrust opende het bospodium en deed dat onmiddellijk met veel overgave. De zanger trok gekke bekken, de gitaren zwaaiden bruusk in het rond, wild werd er geheadbanged en de drummer mepte machtig op zijn kit. Naast de podiumprésence viel alvast niet te kijken. In het boekje werd de band uit Antwerpen als postmetal aangekondigd, maar dan donker, duister en drukkend. Zo voelde de set ook wel een beetje, alsof er in het bos een donkere sfeer hing, klaar om onheil te zaaien. De riffs klonken daarnaast ook ijzig, industrieel en beenhard terwijl de screams van zanger Ruben Podeveyn door merg en been gingen. Dat is tenminste als ze niet versmoord raakten tussen de geluidsgolven van de gitaren. Ook Onrust wist de brutale passages af te wisselen met tedere bruggen waardoor het concert een extra laagje diepgang kreeg. Tijdens zo’n kalm moment ging Podeveyn met diepe stem aan het zingen in plaats van te schreeuwen, wat best leuk was voor de afwisseling, waarna de lekkerste drop van het concert volgde. Onrust overtuigde met een strakke set, met misschien wel hun beste nummers op het eind.
L.O.E @ Main Stage
Na het openingsgeweld was het eindelijk tijd om even weg te dromen. De wondermooie postrock van Britten L.O.E, Last of Eden voluit, vormde de perfecte soundtrack om al heen en weer wiegend te genieten, al dan niet met gesloten ogen. Wegzweven was de rode draad tijdens het concert, alhoewel de aandachtige luisteraar zeker niet in de kou bleef staan. Tussen en tijdens de nummers door maakte de band namelijk gebruik van fragmenten van speeches en quotes van allerlei filosofen, machtshebbers, dichters en wetenschappers. Daarnaast werden op schermen op de uithoeken van het podium continu interessante beelden getoond. Het varieerde van futuristische cartoons tot alledaagse menselijke zaken zoals een biddende massa of het delen van eten. Los daarvan had de groep ook gewoon een steengoede sound die aan alle clichés van het postrockgenre beantwoordde, en dit bedoelen we op de goede manier. Alle elementen waren aanwezig, van een zweverige opbouw tot explosies aan heldere noten, van een rollende bas tot riffs die stevig wisten binnen te komen. Tussenin bedankte de band, die voor de eerste keer in België stond, de organisatie en strooide ze met een compliment voor onze gastvrijheid. Tegen het einde van het concert volgde zelfs een voice-over die dunk!festival bedankte, over slijmen gesproken! Maar we nemen het de Britten niet kwalijk, aangezien ze ons met de vingers in de neus de volle veertig minuten entertainden.
Celestial Wolves @ Main Stage
‘Obey the riff’, dat leek precies het motto van Celestial Wolves. De band uit buurgemeente Herzele deed namelijk niks anders dan riffen op de gitaren. Constant hoorden we een wild samenspel van drie gitaren, terwijl de bas en drum dit geheel probeerden samen te houden. Wie heeft er zang nodig als de gitaren het praten kunnen doen? Tussen de riffs en het stevigere werk door hoorden we natuurlijk ook de typische hoge klanken en breekbare opbouwende passages zoals het postrockgenre natuurlijk wel eist. Wat later verschenen er uit het niks een trombone en een trompet op het toneel om de epische soundscapes nog wat extra pracht te schenken. De band wist nummers als deze, die perfect als soundtrack voor een film of videogame zouden kunnen werken, af te wisselen met pittige wall-of-sounds die het publiek als een boze wolf omver probeerden te blazen. Dat het vijftal van meerdere markten thuis is, dat toonde ze nog maar eens ruim een half uur de set in. Zo wisselden twee gitaarspelers hun trouwe zessnaar in voor een contrabas en een piano. De overgebleven gitaren schreeuwden het emotioneel uit terwijl de piano hun van weerwoord bood. Zo kregen we wederom een prachtige geluidsmuur. Heel wat nummers kwamen tevens van hun jongste spruit VIIIV (uitgesproken als five is four). Voor ze hun laatste nummer aanvatten bedankte de band nog eens het publiek, waarop we van hen een applaus voor onszelf mochten geven. Graag gedaan gasten!
Turpentine Valley @ Forest Stage

© CPU – Emiel Viellefont
Voor een setje postmetal puur sang moest je kwart voor zes aan de Forest Stage zijn. Het Belgische trio Turpentine Valley voorzag er beukwerk op de gitaren à la Russian Circles, lekker scheuren dus! En dat was dan ook wat het drietal, die net de nieuwe plaat Veuel uitbracht, van plan was. Terwijl de onheilspellende sfeer en stapels grijze wolken nog steeds in de lucht hingen, reeg de gitarist de riffs aan elkaar. Af en toe werden die dan weer afgewisseld door een lekker solootje, zodat het niet te eentonig werd. Ook hield de band de mensenzee op de tippen van hun tenen door op gepaste momenten van ritme te veranderen. Zo schoten ze verschroeiend uit de startblokken, om dan middenin het nummer even gas terug te nemen. Dit deden ze nooit te abrupt waardoor hun nummers steeds als een complex, maar goed samenhangend geheel aanvoelden. Ook gingen ze soms omgekeerd te werk door rustig op te bouwen om dan opeens stevig de gaskraan open te draaien. Dan haalde de drummer het maximale uit zijn minimalistische drumkit door hem een ferme oplawaai te verkopen. Hij had nota bene geen enkele tom-drum op zijn kickdrum staan. Er was natuurlijk wel een floortom aanwezig die vanzelfsprekend rake klappen kreeg. Zo boorde het optreden ruim drie kwartier door en voor we het goed en wel beseften bedankte de band de toeschouwers ter afsluit van de show.
The Color of Cyan @ Main Stage
De Amerikanen The Color of Cyan begonnen meer dan vijf minuten te laat aan hun set. De soundcheck duurde iets langer door de veelheid aan instrumenten vermoedden we. Zo waren er naast de gebruikelijke drum, bas en gitaar ook een resem strijkers aanwezig op het podium. Toen een van de vier violisten ‘wij horen niks’ uitkraamde, wisten we dat er wel nog even gewacht zou moeten worden. De aanhouder wint dachten we, dus volhardend bleven we wachten tot de show een tiental minuutjes te laat van wal stak. Wat volgde was een prachtige set die opnieuw bij het betere beeldverhaal zou passen. De violen en cello weerden zich om een plaatsje te vinden tussen het gitaargeweld en slaagden daar ook vlotjes in. Vooral als de bas, die in het begin best luid stond, even op de achtergrond verdween kwamen de strijkers volledig tot hun recht. Teder, zacht en breekbaar waren de woorden die op deze momenten in gedachten kwamen. En misschien is het beste woord gewoon mooi, immens mooi, zo klonk The Color of Cyan. Als alle instrumenten samenkwamen als de perfecte cocktail, zo een cocktail waarvan je alles een beetje proeft maar niks overheerst, kon je niet anders dan de muziek over je heen laten spoelen en genieten. Wat was dat een kleine drie kwartier genieten!
We Lost The Sea @ Main Stage
En toen was het moment aangebroken, de eerste set van Australiërs We Lost The Sea van het weekend. Op vrijdag stelden ze A Single Flower voor, op zaterdag speelden ze Departure Songs integraal met orkest. Openen deden ze vanavond dus met “If They Had Hearts” die onmiddellijk de toon zette. Het bijna tienminutenlange nummer is misschien wel het meest catchy, als je dat zelfs al kan gebruiken voor een band zoals dit, van het album. De melodieuze riffs die steeds harder en harder werden namen het publiek op sleeptouw totdat er als één bewogen werd op het ritme. Gehoorzaam headbangend onderging de mensenmassa het nummer tot het einde waarna er onder luid applaus vaarwel gezwaaid werd. Frontman Mark Owen eiste nog wat meer applaus door simpelweg zijn armen omhoog te heffen zoals Spartacus en hij kreeg het nog ook. ‘Are you not entertained?’
Als wildemannen op de gitaar raasden ze de stuk voor stuk sublieme nummers van het album verder af, maar wie het album een beetje kende, wist dat de pièce de resistance nog zou volgen. Want nadat de groep even van het podium verdween, vatten ze het zeventwintigminutenlange “Blood Will Have Blood” aan. Het epos bouwde erg langzaam op zonder te vervelen, want beetje bij beetje voegde de band laagjes aan het geluid toe waardoor je niet anders kon dan aandachtig blijven. Ze controleerden als het ware je lichaam want met elke laag die ze eraan toevoegden, ging je steeds enthousiaster meebewegen. Alsof je in een trance gebracht werd, smolt je samen met de muziek vooraleer alles openbarstte en er niets meer van je ziel overbleef. Alles was voor de ether, niks nog voor jezelf. En het beste van al was, de volgende tien minuten kon je het allemaal opnieuw beleven aangezien het nummer nog maar halfweg was. Wat een meesterlijk album op meesterlijke wijze gebracht door meesters van hun metier.
Her Name Is Calla @ Forest Stage
De Forest Stage afsluiten was deze avond de opdracht van de Britse band Her Name Is Calla. Het was misschien een tikkeltje ondankbaar om na We Lost The Sea te spelen, maar daar leek het viertal zich niet veel van aan te trekken. Hun mix van postrock en duistere folk aardde dan ook best goed laat in het bos. De sound leende zich zelfs ideaal tot genieten en luisteren al zittend op het natte gras. Het melancholische geluid van de groep droeg een zekere tristesse met zich mee, waardoor het na een vermoeiende dag extra hard binnenkwam. De krachtige stem van de zangeres en violiste voegde afwisselend met Tom Morris zijn krachtige, maar toch tedere zangstem nog wat extra toe aan dit gevoel. Net zoals ook Cave zijn nummers live nog tot een extra niveau kan tillen. Niet veel later echter blies Morris zijn versterker op, waarop er een stukje improvisatie volgde terwijl hij z’n reserve zocht. Hierdoor stagneerde de set even, maar straf dat hij effectief een tweede exemplaar bijhad. Erna was het moeilijk om het tempo terug in te pikken en werd er dan maar volop ingezet op slome, sombere nummers waardoor we het even moeilijk kregen onze ogen open te houden. Gelukkig kwam er op het einde toch terug wat schwung in, want eigenlijk had de band wel echt een mooie sound.
Caspian @ Main Stage

© CPU – Mathias Verschueren (archief)
Naast We Lost The Sea was ook Caspian headliner op vrijdag en om te bewijzen dat ze deze eer waard zijn, kregen ze het afsluitende tijdslot van ruim een uur lang. Met vier op een rij betraden ze het podium en begonnen ze aan de rustige intro terwijl sommigen in het publiek de babbelaars probeerden te shhh’n. Ondertussen kabbelde de intro voort en ontbolsterde die al snel tot een prachtig postrocksamenspel. Terwijl de gitaren door de speakers blaasden, wisten alle vier de spelers die nog steeds op een rij stonden geen weg met zichzelf. Het was schitterend om de band zich zo vol overgave te zien verliezen in hun eigen muziek. Niet veel later gaf ook het publiek zich over aan de opzwepende tonen van de Amerikanen, want die kwamen toch wel een heel stuk harder binnen dan als je ze op plaat luistert. Als het vijftal een versnelling hoger schakelde, zat er niet veel meer op dan meedansen op de groove terwijl de ijle gitaren in het rond fladderden en de bas door de tent zoemde. Je moest en zou meebewegen tot de band in het nummer een rustmoment voorzag.
Na een halfuurtje gitaargeweld nam frontman Philip Jamieson even de tijd de toeschouwers toe te spreken. Hij bedankte het publiek en het festival uitvoerig en kondigde aan dat de band na zeven jaar eindelijk een nieuw album gaat uitbrengen. Ze hopen er volgend jaar al mee te touren in Europa. Hierna beloofden ze er later nog een nummer van te spelen, maar eerst speelden ze eentje van de vorige plaat. Jamieson grapte zelf dat het nummer nog een titel nodig heeft, dus wie een goed idee heeft mag het hem laten weten. Na al het palaver breide de band verder op hun elan en zo werd er al snel weer van jetje gegeven. De gitaren sloegen in als bliksemslagen terwijl al even snel de hemel terug opentrok en zo plaats maakte voor rustgevende noten. Een opjuttende drum vond dit maar al te vaak een tikkeltje te rustig en joeg de overige instrumenten terug in galop. Er moest en zou ook gebeukt worden op de gitaren. Catastrofale riffs volgden tot het einde van het concert en zo werd ook dag twee verschroeiend afgesloten.





