
Het aantal albums dat wekelijks verschijnt, is meedogenloos groot. Daarom is het onmogelijk om alles binnen de correcte tijdspanne van een degelijke review te voorzien. Gelukkig hebben we daarvoor een oplossing ontwikkeld in de vorm van ‘Beire Kort’. Reviews van in de voorbije maanden verschenen albums of ep’s die we nog niet recenseerden, vinden hier een plaats. Het is zoals steeds een opmerkelijk divers overzicht geworden vol verschillende muziekstijlen. Het is tevens de laatste lijst voor we alweer een nieuw jaar indraaien.
Whitney – Small Talk (★★★½)

Whitney had enkele van zijn pluimen verloren door met SPARK zijn formule ietsje te veel aan te passen. Maar zoals ze zeggen: verandering van spijs doet eten. En in het geval van het Amerikaanse duo betekent dat dat het nieuwe Small Talk terug wat meer richting de roots neigt. Op een vrolijke en vooral gezellige manier, want de band uit de ‘Windy City’ kan een dik halfuur simpelweg vermaken. Een “Dandelions” mag gerust levenslang op de setlist staan, en ook “In The Saddle” past perfect in datzelfde dromerige rijtje. Geen al te grootse productie, maar gewoon fijn wegdromen bij een gitaartje en de hoge tonen die Julien Ehrlich uit zijn strot krijgt. De herfstkleuren komen met andere woorden spontaan op in je hersenpan, maar koud wordt het daarom nooit. Whitney heeft er namelijk een handje van weg om diezelfde warme klanken te recycleren in iets dat tegelijkertijd herkenbaar aanvoelt, maar ook nooit klinkt als iets dat je al hoorde. “Back To The Wind” of het afsluitende “Darling” gloeien zo nog enige tijd na, en onderstrepen ook dat je geen al te zotte dingen moet doen om gewoon goed te klinken. Op Small Talk kleuren de Amerikanen nooit echt buiten de lijntjes, maar in dit geval levert dat simpelweg mooie tekeningen op.
Celeste – Woman Of Faces (★★★★)

De carrière van Celeste werd eigenlijk al een beetje onthoofd nog voor ze goed en wel begonnen was. Jammer, want zonder de pandemie had Not Your Muse ongetwijfeld een prachtige tour gekregen die de Britse zangeres nog meer op de kaart had gezet. We denken althans dat dat de reden is waarom de hype rond opvolger Woman Of Faces altijd wat is uitgebleven, ook al waren de singles enorm goed. Celeste is daarin ook simpelweg een eigenzinnig figuur dat niet van haar pad weg te slaan is eenmaal ze het in haar gedachten heeft. Maar moeilijk gaat ook en dat levert in deze zelfs een prachtige plaat op waarin de zangeres negen nummers en een half uur lang fungeert als de warme gezelligheid die mist in deze gure periode. Opener “On With The Show” is meteen een stevige herinnering aan wat voor ’n fantastische zangeres Celeste is, waarna we terug in de tijd worden gekatapulteerd. Terug naar jazzclubs uit de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw.
De titeltrack is innemend in zijn intimiteit, “People Always Change” dartelt voort op een dromerige piano die de wanhoop in de tekst in evenwicht houdt. Tegen dat Woman Of Faces halfweg is, is het eigenlijk al onbegrijpelijk dat de plaat zo onder de radar blijft zweven. En dan moeten de échte hoogtepunten nog komen, want afsluitend tweeluik “Could Be Machine” / “This Is Who I Am” trekt de spanwijdte waar Celeste zich tussen bevindt nog wat verder open. Die eerste heeft een enorm tempo – van een snedige drum en groteske violen -, en toont de zangeres haast furieus op een manier die we nog niet van haar hoorden. Die laatste is dan weer een instant tijdloze klassieker die eigenlijk in elke periode ooit gemaakt kon zijn geweest. En dat vat Woman Of Faces misschien ook meteen het best samen: een tijdloze plaat die niet alleen fantastisch klinkt, maar ook nog eens aantoont dat Celeste een totaal ondergewaardeerde zangeres is.
Lewis Capaldi – Survive (★★★)

Helemaal terug van weggeweest: Lewis Capaldi. En dat mag je gerust letterlijk nemen, want de Schotse singer-songwriter verdween bewust een hele tijd uit de schijnwerpers door (de gevolgen van) het syndroom van Gilles de la Tourette. Nu staat hij er terug en dat sterker dan ooit volgens ep Survive. Nu ja, dat is uiteindelijk slechts een verzameling van singles die ongetwijfeld het opstapje zullen vormen naar een volgende plaat, maar daar doet de man ook gewoon niets mis mee. Sterker nog: minstens de helft ervan heeft het potentieel zich op te werken tot een hitje dat hij tot in zijn laatste dagen zal moeten spelen. De titeltrack is intussen op enkele weken tijd grijsgedraaid, maar ook “Almost” is daar goed voor op weg. Op zich doet Lewis Capaldi in al die songs niets dat hij nog nooit eerder deed: emotioneel getinte popsongs maken waarin hij in het refrein uithaalt in de hoogte. Soms is dat met een piano, soms met een akoestische gitaar… maar altijd met de nodige groteske dramatiek. Met Survive doet de Schot niets baanbrekends, maar dat zal hem en zijn fans worst wezen: de streams stromen binnen en de nummers raken. En wij zijn vooral blij dat hij terug is, in betere doen.
Lily Allen – West End Girl (★★★★)

Wie had gedacht dat Lily Allen anno 2025 nog een van de relevantste platen van het jaar zou maken? De Britse moest het zo’n twee decennia geleden vooral doen met plezante radiohitjes, maar heeft nu de knop plots helemaal omgedraaid. Reden? Acteur David Harbour die op fantastische manier tegen de schenen wordt geschopt in West End Girl. De ex-man van de zangeres wordt tegenwoordig langs alle kanten beticht van grensoverschrijdend gedrag, waarvan deze plaat het eerste dominosteentje bleek. In “Pussy Palace” wordt duidelijk dat de Stranger Things-politieman een seksverslaving heeft en zijn vrouw met tal van andere dames bedroog in een soort sekstempel, en daarbij ook niet vies is van allerhande speeltjes. De Daft Punk-achtige elektropop, weliswaar op een meer dromerige manier gebracht, ondersteunt Lily Allen in haar verhaal als gebroken vrouw die haar hele wereld plots ziet instorten, maar daarom niet bij de pakken blijft zitten. Ze zingt al haar frustraties op een bijzonder toegankelijke en zelfs amusante manier van zich af, maar maakt daarbij vooral ook duidelijk dat ze Harbour niet nodig heeft om geliefd en gelukkig te zijn.
In West End Girl hangt de Britse simpelweg de vuile was buiten, omdat ze vindt dat dat moet. Dat ze dat daarbij ook nog eens doet aan de hand van een verrassend goede plaat – onder meer “Sleepwalking” heeft meer dan zomaar wat hitpotentieel – zorgt ervoor dat niet alleen de roddelpers de plaat heeft opgepikt. De revival van Lily Allen is er niet meteen eentje die we hadden zien aankomen, maar waarvan we wel blij zijn dat we ‘m toch nog hebben mogen meemaken. Prima plaat!
Getdown Services – Crumbs 2 (★★★)

Je kan Getdown Services gerust bestempelen als een van de hotste bands in postpunkland. Onder meer Viagra Boys is al uitgesproken fan en ook wij plaatsten Crisps al in een van onze vele lijstjes. Intussen is er met “Dog Dribble” een uitgesproken grote hit, maar de groep denkt klaarblijkelijk nog niet meteen aan een volgend hoofdstuk. Liever poeiert het nog alle restjes van dat eerder genoemd album erdoor, want na ep Crumbs volgt nu Crumbs 2. En of die kortspeler zijn naam waarmaakt: wat een onsamenhangend geheel aan nummers is dit toch maar weer geworden. Chaos is iets dat Getdown Services hoog in het vaandel draagt, en dan is de manier waarin een nog geen twee minuten durend “Don’t Cheese Me Off” overvloeit in “Vomit, Piss and Shit” natuurlijk een schoolvoorbeeld. Een beetje pompen, een beetje monotone zang over letterlijk niets (je lievelingskleur?) en dan lekker grooven op kots, pis en kak? Jazeker! In “Something French” zet de band uit Bristol zijn Daft Punk-helmen op om Justice te imiteren, om daarna terug dromerig en wederom absurder te gaan klinken. Crumbs 2 eindigt met een ‘big weener attack’ in “Swagga Back”, en daarmee is misschien meteen ook maar best alles gezegd. De grens tussen gek en geniaal wordt nogmaals afgetast door het duo – soms valt het kwartje naar de ene, soms naar de andere kant.
Steve Gunn – Daylight, Daylight (★★★½)
De Amerikaanse gitarist Steve Gunn heeft dit jaar absoluut niet stil gezeten. Eerst was er in augustus het volledig instrumentale Music For Writers en nu, nog geen drie maanden later, verschijnt plots Daylight Daylight. Het is zijn eerste vocale soloalbum sinds 2021. Wie zijn gebruikelijke, wat chaotische experimenteerdrang verwacht, komt zonder twijfel van een kale reis terug. Geholpen door zijn Engelse vriend James Elkington verkeert Gunn immers in een herfstachtige, pastorale stemming. Opener ‘Nearly There’ zet meteen de toon. Dit is tedere, haast naïeve folk waar Nick Drake vroeger een patent op had. Minimalistische, akoestische gitaren primeren met af en toe een vleugje cello, viool of piano. De arrangementen van Elkington zijn vaak smaakvol en beheerst, zoals op het ontroerende ‘Morning on K Road’. Een song over een toevallige ontmoeting met de legendarische Hamish Kilgour (The Clean) in Auckland, Nieuw-Zeeland, die kort daarna overleed. Vergankelijkheid staat dan ook centraal in de meditatieve songteksten. Naast dit prachtige eerbetoon zijn we enorm gecharmeerd door het meanderende ‘Another Fade’. Het klinkt een beetje als een vertraagde versie van The War On Drugs, aangelengd met een stroperige soeplepel Kurt Vile. Na ‘Hadrian’s Wall’ zakt de plaat wat in met het flauwe titelnummer en de Simon & Garfunkel-pastiche ‘Loon’. Met Afsluiter ‘A Walk’ zet Elkington finaal zijn mooie, theatrale productie in de etalage, zodat Daylight Daylight net genoeg weet te begeesteren.
Loaded Honey – Love Made Trees (★★★½)

Voorlopig geen nieuwe muziek van Jungle in het vooruitzicht, en dus is er tijd genoeg voor de leden om andere paden te bewandelen. J Lloyd en Lydia Kitto besloten daarom samen Loaded Honey uit de grond te stampen, waaronder met Love Made Trees meteen een volledige plaat het daglicht zag. En als tweederde van een band samen muziek maakt, dan vind je daar altijd gelijkenissen in terug. Bij dit project focust het duo echter vooral op de vibe en het wegdromen, waardoor Loaded Honey vooral moet gelden als fijne wegluistermuziek. Geen al te hoge tempo’s dus op Love Made Trees, maar eerder zeemzoete melodieën en hoge stemcombo’s, zoals bijvoorbeeld op “Lessons” of “Tokyo Rain” dat iets meer schwung in zich heeft. Er staan voor alle duidelijkheid géén hits op dit debuutalbum van Loaded Honey – zie het eerder als een verzameling nummers die voor de perfecte sfeer kan zorgen in je favoriete koffiebar. Maar: het zit wel allemaal heel fijn en gezellig in elkaar. Love Made Trees zou bijvoorbeeld zomaar eens van pas kunnen komen tegen dat de eerste sneeuw naar beneden dwarrelt – dan voel je toch nog een beetje zomerse warmte door je gehoorkanalen stromen.
Ben Kweller – Cover The Mirrors (★★★★)

Dorian Kweller, de zestienjarige zoon van Ben Kweller, overleed in een verkeersongeval. Het is de ultieme gruwel voor een ouder en de zanger puurde er een heel knap album uit. Eentje dat we dus eigenlijk liever niet hadden gehad. De plaat begint met “Going Insane”, een nummer dat elke vader en moeder danig bij de keel zal grijpen. De zanger vond muzikale steun bij Waxahatchee, Coconut Records, The Flaming Lips en MJ Lenderman. Hun bijdragen blijven heel sereen en respectvol op de achtergrond, maar zorgen wel voor hopen extra cachet. De plaat staat bomvol liedjes die emotioneel alle kanten uitgaan: woedend, verdrietig, verloren en weer herwonnen. De singer-songwriter eindigt de ode aan zijn zoon met “Oh Dorian”, een lied waarin de man zegt dat hij er naar uit kijkt om hem ooit terug te zien. We hopen het oprecht voor Kweller, vader én zoon. Kweller is Joods en in die godsdienst worden na een overlijden de spiegels in huis zeven dagen bedekt, vandaar de titel.
Charley Crockett – Dollar A Day (★★★)

Veel countrymuzikanten zijn veelschrijvers. Tel bijvoorbeeld de albums eens samen die Hank Williams, Willie Nelson en Johnny Cash bijeen hebben gepend, en je zit al gauw aan honderden lp’s. De nieuwe ster aan het firmament boven het Wilde Westen is Charley Crockett. De Texaan schrijft sinds een klein decennium ook één tot twee platen bij elkaar per jaar, en dit jaar in maart waren we al getuige van Lonesome Drifter. Nog geen zes maanden later komt er alweer een verse plaat uit van Crockett en het is gewoon classic country gebleven. Er wordt gezongen over weidse vlakten, rondslenteren op een paard, vrouwen ontmoeten aan een riviertje tussen de bergen, enzovoort enzoverder. Gitaar, banjo, mandoline, mondharmonica… het is allemaal netjes aanwezig, waardoor de liefhebbers van het genre goedkeurend zullen knikken wanneer ze deze plaat opleggen. Dit is zeker geen fantastisch album of zo, maar gewoon een goede set countrysongs die we zeker kunnen smaken.
Stateside – Where You Found Me (★★★)

Het debuutalbum van de Californische band Stateside is eindelijk een feit. We hebben nogal eens moeite met labels plakken of in hokjes duwen, maar laat ons deze plaat gerust skatepunk noemen. Deze lp zou zeker op een cassette gezet worden wanneer we met onze schoenen van Vision Street Wear en skateplank van Santa Monica het pleintje zouden op rollen. Het vijftal doet dat gewoon goed, skatepunknummers maken die hier en daar maatschappijkritisch zijn en zelfs af en toe emotioneel durven worden zoals op het nummer “Vista Verde (So Far, So Good)”. De band is nog maar drie jaar aan de gang, maar ze kent wel al de kneepjes van het punkvak. Op “The End’s Not Near, It’s Here” en “On A Clear Day You Can See Forever” begint het kwintet gezapig en rustig aan de song, maar kan de obligate uitbarsting uiteraard niet uitblijven. Het zijn de gekende trucjes van de foor, maar Stateside gebruikt ze spaarzaam en als een volleerde band die al twintig jaar of zo aan de rol is. Goeie plaat!
Yasmine Hamdan – I remember I forget بنسى وبتذكر (★★★★)

De Libanese Yasmine Hamdan draait nu al een tijdje mee in de Midden-Oosterse indiescène, en maakte in 2013 zelfs de muziek voor een Jim Jarmusch-film, maar moet het in de rest van de wereld voornamelijk doen met een cultstatus. Het undergroundicoon brengt met I remember I forget بنسى وبتذكر haar eerste album uit in acht jaar, een waarbij ze de triphoproots van haar oude band Soapkills bovenhaalt. De typische ondoorgrondelijkheid van triphop wordt hier door de verwevenheid met Arabische melodieën toch naar een iets minder humeurig niveau gehesen. Ook de vederlichte romantiek die Arabische pop al sinds de tijden van Umm Kulthum typeert, maakt van I remember I forget بنسى وبتذكر een album met de nodige emotionele kracht, zonder te hervallen in de uitzichtloosheid van pakweg een Massive Attack. Hamdans decennialange omarming van de atmosferische techno vertaalt zich op dit album in een volwassen sound, van iemand zodanig bekend met het genre dat het geen geheimen meer heeft, en ze dan ook kan buigen naar haar wil. Luister ter illustratie naar “Shmaali (شمالي)”, dat een razendsnelle synthlead, eigen aan het speelse dabkegenre, ombuigt tot iets meer bedachtzaam en doordringends door ze door een lijzige en getergde filter te voeren. I remember I forget بنسى وبتذكر is muziek die bijblijft, door zijn nevelige intimiteit en emotionele diepgang.
Camille Yembe – Plastique (★★★★)

In de eerste week van het jaar tipten we Camille Yembe nog als artieste om in de gaten te houden, en die rol is ze intussen met verve aan het waarmaken. Verschillende festivalshows, een eigen concert in de Botanique en intussen ook een nominatie voor de Music Moves Europe Award. Dat heeft de Brusselse allemaal te danken aan debuut-ep Plastique, waar haar zes eerste nummers meteen zo’n internationaal allure uitstralen, dat het bijna niet anders kan dan dat ze binnenkort groots doorbreekt. Haar mix tussen indie, rock, pop en zelfs new wave slaat aan op verschillende vlakken: “Coups de soleil” kan je gerust beschouwen als dromerig zomerhitje, “ENCORE” richt zich dan weer op de meer donkere kant van het verhaal. Titeltrack “Plastique” baadt dan weer in de reverb, en bewijst nog maar eens waarom Camille Yembe je met alles wat ze doet zonder verpinken meesleept in haar verhaal. Er staat zowaar geen enkel minder nummer op Plastique, dus laat dit zonder twijfel een ep zijn die je dit jaar gehoord moet hebben.
Coroner – Dissonance Theory (★★★★)

De Zwitserse metalband Coroner mag zich in het rijtje van bands die na een afwezigheid van welgeteld 32(!) jaar een meer dan degelijk album uitbrengen, en zo een onverhoopte comeback in elkaar steken zetten. Het drietal surfte in de late jaren tachtig en vroege jaren negentig met albums No More Color en Mental Vortex wat mee op de golf die hét hoogtepunt van de thrash metal vormde, maar legde er in 1993 het bijltje erbij neer. Deze Dissonance Theory klinkt echter allesbehalve als een pathetisch teruggrijpen naar die vergane gloriedagen, maar net als een fris en fruitig staaltje spierballen rollen en een succesvolle uitdrijving van een stel demonen die duidelijk al een decennium of drie vastzaten. Met een robuuste en mature productiestijl, en fluks, progressief gitaarspel voegt Coroner een sterk album toe aan zijn voordien al zeer respectabele discografie, en ontwijkt het vooral de publieke reactie ‘Ah ja, die bestaan ook nog’. Een reünietoer waar fans ook kunnen uitkijken naar nieuw materiaal en niet enkel de oude hits, is in aantocht.
Chat Pile & Hayden Pedigo – In the Earth Again (★★★½)

Met Chat Pile en Hayden Pedigo heb je twee Amerikaanse artiesten met echt compleet omgekeerde filosofieën wat betreft het maken van muziek. Het vierkoppige Chat Pile uit de staat Oklahoma beschouwt de (bas)gitaar eerder als instrument voor marteling dan als muziekinstrument, terwijl folk- en bluesartiest Pedigo uit Texas woordeloze en nostalgische portretten schijnt te schetsen van een geromantiseerd Amerika van weleer. Een samenkomst tussen de twee betekent een schijnbaar onoverkomelijke clash in stijlen, intenties, maar ook wereldbeelden. Het resultaat, deze In the Earth Again, is iets minder dan de som der delen, maar behoudt steevast zijn waarde als muzikaal statement. Het verschil tussen de moddervette vergankelijkheid van “The Matador” en de daaropvolgende dromerige romantiek van “I Got My Own Blunt To Smoke” is schril, maar bovenal uniek en beklijvend. De dynamiek tussen Pedigo en Chat Pile is die van het zingen van een slaapliedje tegen een razende stier.
DTF – Another Side of the Sound (★★★★)

Ah, jazzfunk, waar zouden we zijn zonder jou? En al helemaal als het gaat over de heilige drievuldigheid Hammond B3-gitaar-drums. De heren Adam Deitch (drummer van Lettuce), Ari Teitel (gitarist van onder andere Dumpstaphunk) en Sam Fribush (toetsenist bij Hiss Golden Messenger) kunnen duidelijk ook niet zonder en brachten dit fijne plaatje uit, vintage en fris tegelijk. Eerste single “Chester” zette meteen de toon: net iets meer dan twee minuten warme, swingende funk van het zuiverste water. Fribush plaatst fluwelen accenten, terwijl Teitel en Deitch een onverstoorbare ritmesectie vormen die je doet meeknikken, al lag je vastgebonden op de grond met een stalen helm op je hoofd. Opener “Rolex” straalt van bij de eerste noot een chille vibe uit. De orgelsolo, halverwege ergens, is compleet relaxed. De gitaarsolo die meteen daarna volgt is jazzy met hoofdletter J. “Uncle T” ruikt naar disco, maar dan de goeie soort. Gitaar en orgel dartelen langs elkaar heen, de drums gaan zelfs voor een four on the floor tijdens een break. Ook als het traag gaat, spat de klasse eraf. Check “Shama”, een lome slow met atmosferische, bijna geile orgel- en gitaarpartijen. En zo hebben we uiteindelijk een beetje van alles: New Orleans funk, jazz, hiphop, gospel, af en toe met een cinematisch sausje erover. Allemaal opgenomen op een Tascam 388-tapemachine. Een tapemachine! Je moest al aan het luisteren zijn.
Amy Macdonald – Is This What You’ve Been Waiting For (★★★)

In 2007 zette Amy Macdonald zich direct op de kaart met haar megahit “This Is The Life” en een tweede, minder grote hit “Mr Rock & Roll”. We zijn ondertussen bijna twee decennia verder en nu heeft de Schotse artieste een nieuwe plaat uitgebracht. De titel is alvast een goede vraag: ‘is dit waar jullie op gewacht hebben?’. Zeker, dit is gewoon een typische Amy Macdonald-plaat geworden met rocknummers die gemakkelijk in het oor liggen. Er is echter enig verschil met haar grootste hits; Macdonald laat een meer poppy geluid horen met hier en daar synths, waardoor het allemaal wat meer lijkt op de songs van Blondie. Op “Can You Hear Me?” is dat zeer opvallend, maar de zangeres komt er zeker mee weg. Het zijn luchtige rockschijfjes en daar is zeker een (groot) publiek voor. Conclusie nogmaals: we krijgen inderdaad wat we verwacht hadden. Niet meer en niet minder.
Vertile – Everything Changes (★★★★)

De felgele zonnebloemen-branding wekt de indruk van een zonnig, kleurrijk indie- of soulalbum, maar laat je niet vangen door Vertile: de raw hardstyle-artiest brengt de meest vieze kicks tot in je woonkamer, zij het steevast met een pakkende melodie. Op zijn langverwachte debuutplaat klopt dat plaatje als een haarfijne puzzel, waarin elk stukje even hard glinstert. Van een sterke titeltrack over zijn Defqon.1-anthem tot een emotionele covers van Owl City’s “Fireflies” en JVKE’s “Golden Hour” en het knallende “Goodbye”, elk nummer is spot-on Vertile, met zijn rauwe rockstem als verbindende lijm. Binnenkort presenteert hij zijn album in een uitverkochte Eindhovense Effenaar met een tot hiertoe in de scene nog niet echt vertoonde hybride liveshow. Alles verandert, niet is voor altijd, maar onze voorliefde voor Vertile zal toch niet snel wegebben.
Audrey Hobert – Who’s the Clown? (★★★½)

Uit het niets was ze daar, en nu staat haar ster fel te fonkelen bovenaan de hemel. Audrey Hobert was bij een deel van het publiek vooral bekend als de songwriter van onder meer Gracie Abrams en Alessi Rose, evenals haar samenwerking met Finneas O’Connell. Dat de Amerikaanse met haar eigen muziek meteen in de armen werd gesloten door die fancomunity, mag dan ook geen verrassing heten. Onder meer “Sue me” en “Bowling alley” mag je met miljoenen streams gerust als hitjes bestempelen, maar ook de rest van debuutplaat Who’s the Clown? ligt in diezelfde aangename, singer-songwriterlijn. Het is namelijk de eerlijkheid, in combinatie met subtiele elektronica en toffe melodieën die ervoor zorgt dat de muziek van Hobert erg toegankelijk je gehoorkanalen binnenstroomt. Een “Thirst Trap” heeft bijvoorbeeld alles om de volgende in het rijtje hits te worden, en ook “Shooting Star” is goed op weg. Soms glitterend en dromerig, soms dansbaar en poppy… maar altijd Audrey Hobert. Dat het best wel ongezien stormliep voor tickets voor haar allereerste tour ooit, zegt eigenlijk ook wel al genoeg.
Joey Valence & Brae – HYPERYOUTH (★★★½)

Wie al eens graag een aardbeving meemaakt, raden we Joey Valence & Brae aan. Het duo uit Pennsylvania kan met zijn energie meteen de hele staat van elektriciteit voorzien, getuige de stofwolk die nog altijd ter hoogte van een zekere Werchterse weide hangt. De groep brengt de punkrap uit de hoogjaren van Wu-Tang Clan en de Beastie Boys al enige tijd weer helemaal tot leven, al voel je op het nieuwe HYPERYOUTH ook een zekere volwassenwording oplaaien bij JVB. Het hoeft niet altijd te schuren om hard te zijn, getuige een “LIVE RIGHT”, of “BUST DOWN”. Zelfs een samenwerking met Rebecca Black neigt meer naar de club dan naar de moshpit. Dat JVB zijn roots daarin nooit de rug toekeert, voelt daarom aan als een soort verademing. Het blijft in HYPERYOUTH daarnaast namelijk vooral trouw aan zichzelf, met nummers als “WASSUP”, “GO HARD” of het knotsgekke “THE PARTY SONG” als beste voorbeelden. Of wat dacht je van een knipoog naar Skrillex’ “Bangerang” in de titeltrack? Verrassen zonder het roer helemaal om te gooien, dat is wat Joey Valence & Brae dit keer doen.
The Favors – The Dream (★★★★)

Als een combinatie werkt, dan mag je daar gerust een gevolg aan breien. FINNEAS en Ashe hadden al een hitje op hun naam staan, en stampten met The Favors dan maar een gemeenschappelijk project uit de grond. Met The Dream is daar nu zelfs een heuse debuutplaat, die het beste van twee werelden samenbrengt. Al aan de cover kan je zien dat het duo de melancholie alsook vintage sound zullen omarmen. Een lijn die op muzikaal vlak wordt gevonden door het midden te vinden tussen subtiel en dramatisch. De titeltrack werd daarin een erg mooi voorbeeld van prachtige harmonieën en grootse uithalen, terwijl “The Little Mess You Made” wat meer groove toelaat. Dat laatste is overigens zeker het geval in het swingende “Home Sweet Home”, al blinkt The Favors eveneens uit in kleinschalige tegelplakkers als “The Hudson”. The Dream brengt met andere woorden twaalf sfeervolle nummers waarin de twee singer-songwriters elkaar niet alleen aanvullen, maar ook beter maken. We kunnen alleen maar hopen dat FINNEAS en Ashe ook de grote plas oversteken om dit project aan de man te brengen, want dat kan wel eens een erg mooie avond opleveren.
Djo – The Crux Deluxe (★★★)

Normaal gezien doen we bij Dansende Beren niet mee aan deluxeversies van albums, maar voor Djo maken we toch een uitzondering. Niet omdat The Crux Deluxe zo uitzonderlijk goed is, maar vooral omdat hij met twaalf nummers eigenlijk een volledig nieuwe plaat aan zijn vorige toevoegt. Die nieuwe songs liggen daarom zelfs niet eens per se in dezelfde lijn als hun voorgangers, want Joe Keery lijkt zich nu vooral te storten op de elektronische psychedelica, met hier en daar eens een uitspatting. Zeker “Try Me”, “They Don’t Know What’s Right” en “Awake” springen er daarom uit, met zelfs postrockinvloeden die je alle hoeken van de kamer tonen. Voor de rest houdt de Amerikaan het vooral binnen zijn eigen bubbel, met kabbelende elementen die veelal voor een aangename luisterbeurt zorgen. Soms onderscheidt het ene nummer zich niet per se van het andere, maar qua sfeerschepping zit het wederom top. Een groeier dus, deze The Crux Deluxe, die op het eerste gehoor minder interessant is dan de initiële tracklist, maar qua geheel toch een meerwaarde in zich heeft.
Leni Ark – GENERATOR (★★★★)

Vanuit de donkerste bossen van de groene Brusselse noordrand is een duistere, dansbare nieuwe band opgedoken. Leni Ark (een anagram van Karlien) is het project waarin Karlien Aelvoet de muziek uit de jaren tachtig laat samensmelten met hedendaagse elektronica. Enkele weken geleden zagen we haar al aan het werk in Jeugdhuis Nijdrop in Opwijk, waar haar songs én haar performance meteen indruk maakten. Na een handvol singles brengt het drietal nu ook zijn eerste ep GENERATOR uit, en die is werkelijk om van te snoepen. Vanaf de eerste nerveuze bliepjes en gortdroge beats van de titelsong beland je in een spannende kruisbestuiving tussen eighties en nillies. Wat start als een dansbare echo van Kraftwerk schuift al snel op richting spacy elektro. In de refreinen zet Aelvoet melodieus stevig aan en duiken er moderne dance-tintjes op. Het nummer voelt als een smeltkroes van veertig jaar elektronische muziek, zorgvuldig gedistilleerd tot één geheel.
Het groots gezongen “Rise” bevat triphopelementen en roept herinneringen op aan SX, een van Aelvoets inspiratiebronnen. In “Sabotage” klinkt ze dan weer als een hedendaagse Anne Clark: dreunende beats, kille synths en een haast demonisch parlando dat zo uit de donkerste krochten van 1984 lijkt geplukt. “Echoes” en “Victory” zijn dan weer onweerstaanbare dancetracks, gedragen door poppy melodieën en hooks die zich stevig in je brein nestelen. Als GENERATOR één iets duidelijk maakt, is het wel dat Aelvoet precies weet hoe ze een catchy song moet bouwen. Bovendien doet ze alles volledig in eigen beheer en houdt ze de touwtjes strak in handen bij het maken van haar video’s, muziek en podiumproducties. Muziek is haar passie en dat voel je in elk nummer van deze eerste ep. Wij kijken nu al uit naar de eerste langspeler.
Doja Cat – Vie (★★★★)

De tijd waarin Doja Cat ‘slechts’ een fenomeen was is helemaal voorbij. De Amerikaanse is vandaag de dag een ster die haar eigen plek heeft opgeëist in het muzieklandschap. Niet alleen met indrukwekkende concerten, maar ook met best wel goeie platen. Zeker als we het nieuwe Vie daarbij mogen rekenen. Vijftien nummers lang gooit Amala Ratna Zandile Dlamini al haar troeven op tafel, met een enorm cool geheel tot gevolg. “Jealous Type” heeft als enorm catchy single de kaap van de honderd miljoen streams al behaald, en ook het daaropvolgende “AAAHH MEN!” heeft met zijn Knight Rider-sample iets dat verdomd makkelijk in je hoofd blijft plakken. Doja Cat brengt een combinatie van pop, rap en r&b, maar giet het altijd in een stijlvol doch fun jasje. “Silly! Fun!” doet z’n naam alle eer aan, terwijl een “Stranger” of “One More Time” niet meer dan fantastische popschijven zijn. Vie is een verzameling van badass nummers die allemaal de X-factor bezitten om het te schoppen tot hit – dat geeft ongetwijfeld vonken op het podium!
Eefje de Visser – Vlijmscherp (★★★)

Eerder dit jaar verraste Eefje de Visser ons enigszins door te zeggen dat Heimwee uit 2024 slechts het eerste deel was van een dubbelalbum, waarvan Vlijmscherp nu het slotstuk vormt. ‘Er is nooit genoeg Eefje de Visser’, zou je daar als fan van kunnen denken, maar na iets meer dan veertig minuten… rees bij ons vooral de vraag of dit vervolgstuk wel echt nodig was. Opener “Onomkeerbaar” was zonder meer een sterk staaltje vakmanschap, dat perfect op de voorgaande albums had gepast, maar alles wat erna volgt blijft ietsje te veel aan de vlakte om diezelfde lat te halen, zo blijkt. Vlijmscherp klinkt daarom een beetje zoals een Eefje de Visser-album klinkt voor niet-fans: dromerig, glinsterend in het donker en ietwat onverstaanbaar. En dat zonder dat er voor de rest echte hoogtepunten in verstopt zitten. Nooit wordt het slecht voor alle duidelijkheid, maar we missen een beetje het vernuft of de verrassing vanop vorige albums. Een “God Los” heet in zijn slome karakter nog iets dansbaars en de twinkeling in “Normaal Toen” is vrij catchy, maar dan hebben we uiteindelijk ook alle vooruitgestuurde singles gehad.
Laat ons stellen dat Vlijmscherp een beetje nazinderen is van Heimwee; vrij letterlijk daar Eefje de Visser zich in deze plaat vooral focust op het elektronische, donkere en dansbare. Op papier klinkt dat echter verrassender dan in de praktijk, en misschien is het net daarom dat we een beetje op onze honger blijven zitten.
Kings of Leon – EP #2 (★★★)

Ondanks dat de absolute hoogdagen van Kings of Leon al even achter ons liggen, lijkt de familie Followill wel van een zekere herwonnen populariteit te kunnen spreken. De kleinschaligere optredens liggen hen wel, maar ook op muzikaal vlak zit het redelijk snor. Zeker nu er met EP #2 vier nieuwe nummers zijn verschenen die ook wel te smaken vallen. De Amerikanen gooien een kwartier lang eigenlijk alles wat ze ooit maakten in de mix, wat enkele toffe riffjes oplevert. In combinatie met Caleb Followills herkenbare stemgeluid, zorgt dat voor de klassieke Kings of Leon-sound, zonder dat er daarbij echt buiten de lijntjes wordt gegaan. “To Space” lijkt het hitje te gaan worden van deze ep, waarin het viertal wat terugblikt op de toegankelijke sound van WALLS, terwijl “The Wolf” de fans van het eerste uur weer meer zal kunnen overtuigen. Geen hele grote verrassingen met andere woorden op EP #2, maar op zich is de kortspeler ook wel meer dan zomaar een tussendoortje.
Natasha Pirard – Fernande, Cecile (★★★½)

Muziek uitbrengen onder DEEWEE is altijd al een kleine overwinning op zich. Voor Natasha Pirard misschien zelfs een tikkeltje groter, omdat ze sowieso al niet de meest toegankelijke muziek maakt. Voor Fernande, Cecile richtte de Gentse zich tot haar moeder en grootmoeder, waarbij ze drie kwartier vertoeft in de meest prachtige en dromerige soundscapes. Acht nummers lang worden we als het ware meegesleurd naar de diepste kern van liefde tussen de drie generaties, die zelfs zonder woorden alsmaar meer voelbaar wordt. Dat maakt Pirard duidelijk aan de hand van slepende strijkers en onderliggende elektronica, die wat meer diepgang geven aan het geheel. Dat dat zoals gezegd niet altijd op de meest toegankelijke manier is, maakt een nummer als “Dernière visite”, dat bijna de tien minuten aantikt, duidelijk. Het gaat ‘m bij Fernande, Cecile namelijk vooral om de ontplooiing van de nummers en over hoe ze blijven meanderen in hun eigen gevoel. Prachtig om tot rust bij te komen, of misschien zelfs een beetje emotioneel bij te worden. Maar vooral een mooie ode aan de band tussen moeder en dochter. Op verschillende niveaus.
The Hellp – Riviera (★★★½)

Ondanks dat The Hellp al een tijdje bezig is, lijkt het toch pas nu te zijn dat de band echt een doorbraak kent. In de nasleep van de ruwere sleazetronica van onder meer The Dare en Charli xcx sloegen ook de singles van Riviera aan, alsook staan er voor volgend jaar al enkele mooie festivals op de planning. Dat lijken in elk geval sets met heel wat potentieel te worden, want de donkere elektrorock van het duo komt ook op de tweede plaat die ze uitbrengen best cool binnen. Onder meer “Country Road” en “Doppler” kan je gerust hitjes in wording noemen, net door de combinatie van hoekige gitaren en chaotische elektronica. De manier waarop Noah Dillon en Chandler Lucy daar wat monotoon hun ding over doen is formule die wel werkt. Dat Riviera in elkaar zit zoals de albumcover doet vermoeden – met rondingen, maar toch enorm artificieel en kil aanvoelend. Het zorgt in z’n totaliteit voor een coole bijdrage aan de sleazy uitstraling die The Hellp heeft, en die het dus ook een kleine drie kwartier hoog houdt.
Not for Radio – Melt (★★★★)

Met The Marías heeft María Zardoya een project dat sinds kort eindelijk de aandacht krijgt die het verdient, maar daar kon de de Puerto Ricaanse-Amerikaanse klaarblijkelijk nog steeds niet haar ei in kwijt. Alhoewel, toch niet het ei waarmee ze per se wilde doorbreken, want met Not for Radio heeft ze sinds enige tijd ook een soloproject met een veelzeggende naam. Geen radiovriendelijkheid, maar enkel en alleen nummers die het moeten hebben van hun dromerigheid. Daar kabbelt de zangeres een kleine drie kwartier in rond op Melt, zonder ooit buiten haar eigen lijntjes te kleuren. Dat is echter geen enkel probleem, want hetgeen ze doet op haar solodebuut is van zo’n schoonheid en hoge kwaliteit, dat je enkel en alleen maar geprikkeld kan worden vanaf de eerste seconde. Sommige nummers springen er iets meer uit dan andere, zoals bijvoorbeeld “My Turn” of “Back To You”, maar over het algemeen passen ze vooral allemaal in hetzelfde laantje. Eentje waarin we in het pikdonker worden beticht met glinsteringen en zachte strelingen. Enorm sterk geproducet en ingezongen ook, deze plaat, waardoor het zonder enige twijfel kan gelden als een van de platen die je dit jaar misschien over het hoofd hebt gezien.
Deze beire kortjes werden geschreven door Lucas Palmans, Koen Dignef, Stefan Robberecht en Stijn De Belder.






