We kunnen er onmogelijk omheen: The Cure is een van de belangrijkste bands van de bijna laatste vijftig jaar. Je leest het goed, bijna vijftig jaar. De band uit Crawley werd boven de doopvont gehouden in 1978 als The Easy Cure, maar werd nadien afgetopt tot het veel betere The Cure. De enige constante in de Engelse band is frontman Robert Smith, want het is altijd een komen en gaan geweest van groepsleden. Sommige groepsleden bleven heel kort, waar anderen de band vervoegden, verlieten, om nadien weer op hun stappen terug te komen. Een ding is zeker, The Cure werd altijd bevolkt door fantastische, creatieve muzikanten. De catalogus van de groep is gigantisch en we kunnen niet zomaar schrijven dat er enkel new wave werd gecreëerd. Het debuutalbum Three Imaginary Boys zat nog barstensvol punkelementen waar Seventeen Seconds en tweelingplaat Faith al veel meer echte new wave waren. Pornography en Disintegration zijn voor de volle honderd procent gothicplaten waar Kiss Me, Kiss Me, Kiss Me, The Top, The Head On The Door en Wish veel meer bogen op popnummers die met miljoenen tegelijk werden en worden gestreamd. The Cure maakte nog veel meer platen, maar we zijn hier niet om het volledige, grandioze oeuvre te bespreken.
Wakkere toeschouwers zullen op optredens de voorbije jaren gemerkt hebben dat er al een aantal songs van de nieuwe plaat live werden gebracht. Het was dan ook de bedoeling om het album in 2019 uit te brengen, maar Smith nam liever zijn tijd om de muziek zo veel mogelijk bij te schaven. Het is ook de eerste keer sinds The Head On The Door dat de frontman werkelijk alles alleen bij elkaar heeft gecomponeerd. Uiteraard heeft de man met het gecrepeerde vogelnest op het hoofd niet alles zelf ingespeeld. The Cure is op dit moment een vijftal met Jason Cooper op de drums, de (bijna) eeuwige constante Simon Gallup op de bas, Reeves Gabrels op de gitaar en Roger O’Donnell op de toetsen. O’Donnell is bij de band ook niet aan zijn proefstuk toe, maar wordt soms live vervangen door een andere oudgediende, Perry Bamonte. Op zich is Gabrels het enige ‘nieuwe’ bandlid. De man verdiende dik zijn sporen bij Tin Machine, de band van David Bowie en als gitarist op de platen Outside en Earthling van diezelfde legende. We geven graag nog even mee dat het artwork op de hoes weer van Andy Vella is, de designer die al talloze hoezen van The Cure heeft verrijkt met zijn creatieve pracht. Check gerust de website van deze artiest eens en laat je verrassen door het vele werk dat hij voor de Britten al heeft verwezenlijkt.
Het is ondertussen zestien jaar geleden dat de groep een plaat uitbracht, maar we kunnen nu al stellen dat het geduld meer dan beloond wordt. Het valt onmiddellijk op dat de stijl van de verse worp teruggrijpt naar songs uit Pornography en Disintegration. Openingsnummer “Alone” werd al als single uitgegeven en kan bogen op een heel lange intro zoals alleen Smith ze bij elkaar krijgt gecomponeerd. Minutenlang wordt er afwachtend en bijna dreigend gespeeld tot Smith zijn karakteristieke stem op de song legt. We zien in dit nummer ook een een ideale, nieuwe opener voor de concerten. Er staan acht songs op de plaat en er wordt afgeklokt op iets meer dan de zijde van een cassette van 45 minuten. “And Nothing Is Forever” duurt ook bijna zeven minuten door de schitterende, lange intro op de piano. Er komen veel belletjes aan te pas, maar het klinkt allesbehalve belegen. Integendeel, de band neemt je mee op een reis, een reis vol verwachtingen die het aura al krijgen om ingelost te worden. Op “A Fragile Thing” valt heel erg het volle drumpatroon op van Cooper. Dit is topdrumwerk! Zelfs op zijn 65 jaar weet Robert Smith een schitterende song te schrijven over onbeantwoorde liefde of liefde die te snel is kapotgegaan om nooit meer te helen. Gabrels laat hier ook zien welke meerwaarde hij brengt aan The Cure. Gitarist van het (bijna) eerste uur Porl (nu Pearl) Thompson speelde weinig gitaarsolo’s, maar Gabrels is hier een meester in en laat dit ook graag horen.
Een gouden tip: beluister de plaat met een knoert van een hoofdtelefoon op de kanis! “Warsong” is een banger van een lied waarin werkelijk alles geniaal en uitmuntend klinkt, maar dit moet echt beluisterd worden met een hoofdtelefoon. Pas dan hoor je de briljante sound van de song! Lees zeker de biografie van Lol Tolhurst, de eerste drummer en nadien toetsenist van de band eens; rozengeur en maneschijn stonden dikwijls niet in het woordenboek van The Cure door grote meningsverschillen over de richting waar de muziek heen moest. Hier is het duidelijk dat Smith zelf alles componeerde en instructies gaf aan zijn glansrijke bandleden. “Drone:Nodrone” is hierdoor bijna een metalsong geworden waarop Smith half zingt, half rapt. Hier neemt de band voor de duizendste keer een zijweg, een muzikale zijweg die wij van het kwintet nog nooit hadden gehoord. Wat een gitaarsolo ook!
“I Can Never Say Goodbye” begint met het geluid van een zware storm waarvan je voelt dat die sound ergens verborgen blijft schemeren op de hele song. Ook hier een heel lange intro in de aard van “Trust” van Wish, waarvan je steeds denkt dat hij elk moment kan uitbarsten. Dit is alweer vintage en classic Smith: een lied waar pijn wordt in bezongen en waarbij die pijn gewoon een knauw bijt uit het hart om niet meer te genezen. “All I Ever Am” begint met loeiende drums zoals die ook op songs zoals “The Hanging Garden” of “One Hundred Years” te horen zijn. Ook hier eist de intro geduld van de luisteraar, geduld dat wordt beloond met alweer een schitterende, melancholische zangpartij van Robert James Smith. De somberheid druipt er van af en we beginnen hier al te beseffen dat de band het misschien echt meent wanneer ze zegt dat er met 2029 nu al een ultieme einddatum in de sterren staat geschreven.
Het laatste wapenfeit heet toepasselijk “Endsong” en duurt meer dan tien minuten, maar wat een fantastische zeshonderdvijfentwintig seconden. The Cure laat zijn plaat eindigen met een mokerslag van een bijna volledig instrumentale compositie en het klinkt echt heerlijk barok en bombastisch. Dit is nog een uitsmijter van jewelste, een formidabel laatste cadeau van Smith en zijn kompanen. Deze plaat is voor ons veruit de beste die The Cure sinds Disintegration uit 1989 uitbracht. Smith heeft een monster met meerdere koppen gecreëerd met zijn nieuwste werk, een monster dat loert en bespiedt, snuift en bijt, slachtoffers slaat en ook weer zalft, levenden laat sterven en doden weer laat oprijzen. We durven dit bijna een goddelijke plaat te noemen, een plaat die thuishoort op de Olympusberg, Walhalla of aan de gouden hemelpoort. Deze plaat is het nirwana waarin de hoogste heiligheid wordt bereikt. Dat 2029 nog lang moge wegblijven.
Facebook / Instagram / X / Website
Ontdek “A Fragile Thing”, ons favoriete nummer van Songs Of A Lost World, in onze Plaatje van de Plaat-playlist op Spotify.








Het beste sinds Disintegration. Wow, in al zijn enthousiasme heeft jullie man hier zomaar eventjes Wish en Bloodflowers op de kant geschoven. Hoe goed het nieuwe album ook is, en het is écht goed, ik zou toch op z’n minst Wish even een keer of 5 opnieuw beluisteren mét headphones. Het bezwerende Open, het prangende From the Edge of the Deep Green Sea, de perfecte popsong Friday I’m in Love, de breekbare schoonheid van Trust, het uitbundige Doing the Unstuck, de uitgekristalliseerde vergankelijkheid van To Wish Impossible Things en ik kan nog blijven doorgaan. Maar heeft het nieuwe album dit veelzijdige, rijke monument zo overtroffen dat het ‘het beste is sinds Disintegration’? Als decennialange Cure-fan die er zelfs live bij was in de Troxy vorige vrijdag zeg ik: nee. Na Disintegration volgden nog 2 albums die minstens even goed en in het geval van Wish zelfs beter zijn.
Briljant album. Wat een genot…