AlbumsFeatured albumsRecensies

Albumreviews: Beire Kort #36

Het aantal albums dat wekelijks verschijnt, is meedogenloos groot. Daarom is het onmogelijk om alles binnen de correcte tijdspanne van een degelijke review te voorzien. Gelukkig hebben we daarvoor een oplossing ontwikkeld in de vorm van ‘Beire Kort’. Reviews van in de voorbije maanden verschenen albums die we nog niet recenseerden, en dat in één alinea. Deze editie is alweer de 36ste en de vierde van 2022. Een bloemlezing dus van leuke plaatjes die de zomer van dit jaar kleurden. Met onder andere Blushing, Steve Lacy, Wet Satin en Hooveriii.

Blushing – Possessions (★★★½)

Zelfs in de jaren negentig hadden shoegazeartiesten al de neiging om meer te leunen op hun wazige esthetiek en woelige geluidjes dan op hun schrijverschap. De Amerikanen van Blushing hebben die elementen van hun helden alvast overgenomen, maar de akkoordenprogressies vallen toch ook goed mee. De melodieën op hun tweede album Possessions hebben zelfs kaas gegeten van het werk van Robert Smith bij The Cure. De band heeft een perfecte genderbalans en ontstond rond gitarist Noe Carmona en drummer Jacob Soto, die samen opgroeiden. Toen ze later elk met hun vrouw trouwden, bleken die muzikaal perfect op dezelfde golflengte te zitten. Naast een authentieke chemie geniet de band ook nog van de expertise van Mark Gardener van Ride, die de productie op zich nam, en gastvocals van Miki Berenyi uit de wijlen band Lush. Gardener laat het geheel klinken alsof het onder water opgenomen is, zoals hij soms doet bij zijn eigen nummers. Dit is iets wat we zelden zien, maar bijzonder graag horen. Leadsingles “Sour Punch” en “The Fires” springen meteen in het oor, maar ook de explosieve finales in “Surround (With Love)” en “Possessions” hadden we niet verwacht. Elke fan van het genre vindt hier minstens één liedje voor in de favoriete afspeellijst. Possessions katapulteert Blushing zo van een volger naar een leider in de betere shoegaze!

KTJ & CARLY – Ego Death (★★★½)

Het Amerikaanse zusterduo KTJ & CARLY is al van kleins af aan gebeten door de muziekmicrobe. De tweeling zit dus op heel veel vlakken op dezelfde golflengte en dat horen we ook op de gloednieuwe ep Ego Death, waarin ze elkaar weer aanvoelen en aanvullen. Hun popnummers vallen door de sterke samenzang nog meer op, maar ook hun eigen producties zijn het beste bewijs dat ze heel goed weten wat ze willen. Op onder andere “Pink Ferrari” en “Heartless” horen we verschillende invloeden samenkomen, die nog genuanceerder klinken door hun scherpe teksten. Er zijn weinig tweelingen in de popwereld die we zo graag horen als KTJ & CARLY, want ook dit project is gewoon een heel fijn werk.

Hooveriii – A Round of Applause (★★★★)

Als er één jamband is die de afgelopen jaren, volledig onterecht, over het hoofd werd gezien, laat het dan Hooveriii zijn. Sinds 2019 kregen we vier albums van de band uit Los Angeles, maar een doorbraak in het genre zat er vooralsnog niet in. Dan maar mezelf van wat applaus voorzien, moet bezieler Bert Hoover gedacht hebben, en zo verscheen A Round of Applause enkele weken terug. Het recept blijft ongewijzigd: veertig minuten vol gitaarsolo’s, psychedelische fuzz en dromerige vocals die evengoed van Ty Segall konden zijn. De ene keer gaat Hooveriii extreem hard tekeer zoals op “Out of My Time”, maar evengoed mag het allemaal wat gezapiger. Telkens wel gieren de gitaren door je oorkanalen en draait het fuzzpedaal overuren. Conclusie: ook deze round of applause mag er wezen.

James Bay – Leap (★★)

Leap, de derde langspeler van James Bay, telt twaalf nummers. Het probleem is echter dat het gigantisch moeilijk is om door te hebben wanneer het ene nummer stopt en het volgende begint. De Britse singer-songwriter heeft met andere woorden met heel veel enthousiasme uit hetzelfde vaatje getapt, wat ervoor zorgt dat album nummer drie vol staat met de ideale liftmuziek. Gezellig, zeer fijn voor op de achtergrond, maar geen enkele song springt er echt uit. Oké, Bay heeft nog altijd zijn charmes door bijzonder sympathiek over te komen als hij het samen met zijn gitaar heeft over de liefde, maar de echte hoogdagen lijken toch veelal achter ons te liggen. “We Used To Shine” komt nog redelijk groots binnen met zijn stevige drums, maar wat nu precies het verschil was tussen het melige “Give Me The Reason” en het plakkerige “One Life” zal niemand zich morgen nog herinneren.

Abbie Ozard – Water Based Lullabies (★★★½)

We hadden aan het begin van haar carrière gedacht dat de ster van Abbie Ozard een tikkeltje sneller naar de top zou schieten, maar dat gigantische succes bleef helaas uit. Dat hoeft gelukkig niet te betekenen dat de muziek van de jonge Britse er minder op is geworden, want met Water Based Lullabies heeft ze nu een sterke derde ep onder de arm. Voor de kortspeler liet ze zich vanzelfsprekend vooral inspireren door water, waardoor het geheel heel dromerig overkomt. Veel comfortgevende pastelkleuren dus, zoals op het rustige “Grown” of natuurlijk “Comfy”, al durft ze doorheen de ep ook wel eens buiten de lijntjes te kleuren. “Candy Blue” en “Rose Tinted” neigen bijvoorbeeld richting de iets ruigere kant zoals bij pakweg Wolf Alice, waardoor we kunnen concluderen dat Abbie Ozard met deze Water Based Lullabies opnieuw een stap in de goeie richting weet te zetten.

Pet Deaths – Unhappy ending (★★★½)

Het is niet fijn als je huisdier sterft en dus zou je kunnen stellen dat een bandnaam als Pet Deaths nogal ongelukkig gekozen is. Niets is minder waar, want de muziek van de band zou je perfect op de begrafenis van je huisdier kunnen spelen om het allemaal wat mooier en emotioneler te maken. De band brengt namelijk breekbare indiefolk waarbij er niet moeilijk wordt gedaan over de lengte van een nummer. Zo krijgen we op de opener van hun tweede album, “All the things you said you were (I don’t believe in ghosts)”, al meteen meer dan zeven minuten melancholie op ons bord. De toon is gezet en je wordt helemaal meegenomen in een depressieve wereld waar schoonheid overheerst. De breekbare vocals, de hoopvolle opbouw en vooral de torenhoge grijswaarde maken van Unhappy ending een plaat voor de herfst, ideaal om op te leggen nu de temperaturen wat dalen.

Superorganism – World Wide Pop (★★★★)

Het ging heel erg snel toen het Londense Superorganism zijn introductie maakte in het muzieklandschap. Knotsgekke beats, samples en invloeden die zowat in elke uithoek van de wereld gezocht werden, waren de basis van het succesvolle zelfgetitelde debuut, maar toen bleef het stil. Een kleine vijf jaar later is daar nu World Wide Pop, maar aan kwaliteit lijkt er gelukkig niet echt te zijn ingeboet. Het vijftal klinkt doorheen zijn tweede langspeler nog altijd even gek, al is het scherpe randje tegenwoordig wel een stuk meer gepolijst. Dat zorgt op zijn beurt voor een gevarieerde mengelmoes van plezant en doordeweeks, waardoor Superorganism er over het algemeen wel een leuk plaatje van wist te maken. “Teenager” en “On & On” zorgen er bijvoorbeeld voor dat stilstaan geen optie meer is, terwijl pakweg “Everything Falls Apart” en “Flying” dan weer de creativiteit van de band naar voren brengt. Dat het vijftal niet de gemiddelde plaat maakte, wordt overigens ook duidelijk in het feit dat World Wide Pop klinkt als een hoop knip- en plakwerk in verschillende opnames, waardoor het geheel iets wegheeft van een gekaapte radioshow. De grens tussen gek en geniaal is bijzonder dun, en dat bewijst Superorganism graag nog maar eens.

Steve Lacy – Gemini Rights (★★★½)

Een ijzersterk debuutalbum opvolgen met een plaat die minstens net zo goed is: het is ontzettend moeilijk. Dat is misschien ook wel de reden waarom Steve Lacy drie jaar over Gemini Rights heeft gedaan, de opvolger voor het briljante Apollo XXI uit 2019. Een perfect album dat zijn debuut overstijgt, is Gemini Rights niet. Daarvoor mist deze het spannende en experimentele van de voorganger te veel. Een goede, volwassen tweede is Lacy’s nieuwste langspeler gelukkig ongetwijfeld. De jeugdige naïviteit waarmee hij relaties en genot benaderde op Apollo XXI heeft op zijn nieuwste album ruimte gemaakt voor verbitterdheid en realisme. Verbroken relaties en Lacy’s eigen rol daarin vormen het centrale thema op dit introspectieve en eerlijke album, zoals we terughoren op “Helmet”, het zwoele “Amber” en het beste nummer van de plaat, “Mercury”. Een prima stap richting volwassenwording, deze nieuwe van Steve Lacy.

Pit Pony – World To Me (★★★★)

Debuutalbums zijn altijd een dubbeltje op zijn kant. Ofwel maak je de belofte van je eerste singles volledig waar op dat album, ofwel zakt de geloofwaardigheid door de grond. Bij Pit Pony is het toch dat eerste. De band had al bijna een dozijn aan singles uitgebracht, maar voor het debuut hielden ze toch de eerste singles achterwege. Geen gemis wat ons betreft, want de fuzzy gitaren en knallende urgentie blijven constant overeind. “Black Tar” neigt net iets meer naar snedige punk terwijl “Cold” het wat stoerder aanpakt. Die coolness blijft doorheen de volledige plaat hangen, maar nergens klinkt het arrogant. Pit Pony wil gewoon rocken en doet dat op World To Me rechtdoor en zonder franjes, zo hebben we het graag.

HAAi – Baby, We’re Ascending (★★★½)

Het is iets wat we misschien niet meteen zagen aankomen, een echt album van HAAi. Niet dat we haar er niet capabel voor zagen, maar het gebeurt niet zo heel vaak dat een dj ook effectief een album maakt met eigen nummers. Teneil Throssell waagde er zich uiteindelijk toch aan, en zo maakte ze met Baby, We’re Ascending bijvoorbeeld duidelijk dat de beste dingen vaak niet meteen voor de hand liggend zijn. Het debuut van de naar Londen uitgeweken Australische zit namelijk goed in elkaar, want achter elke hoek schuilt iets dat je niet had verwacht. Hoekige beats, knallende melodieën… HAAi weet je met zowat elk nummer naar de dansvloer te trekken, maar dan wel telkens op een andere manier. De ene keer met een zweempje mysterie, de andere keer opzwepend; dat Throssell voor de titeltrack bijvoorbeeld samenwerkte met grootmeester Jon Hopkins getuigt alleen maar meer van haar kwaliteit. Met een uur op de teller duurt Baby, We’re Ascending misschien iets te lang, maar als je eenmaal in de vibe zit, maakt dat niet zoveel meer uit.

Sophie May – You Do Not Have To Be Good (★★★½)

Het feit dat Sophie May klaarblijkelijk sprekend lijkt op het immer populaire Stranger Things-personage Eddie Munson, was niet de enige reden waarom de Britse de afgelopen weken haar luistercijfers de lucht in zag schieten. De jonge zangeres bracht begin augustus namelijk haar veelbelovende debuut-ep You Do Not Have To Be Good uit, al waren haar singles ons ook daarvoor al opgevallen. May maakt namelijk breekbare bedroompop met een catchy tintje, waardoor een nummer als “With The Band” je naast kippenvel, ook een oorwurm bezorgt. Met enkel een gitaar onder de arm en enkele standaardbeatjes vanop haar laptop weet de Britse dus een gigantisch eerlijk geluid te creëren, en daar zit natuurlijk haar warme stem voor iets tussen. “Drop in the Ocean” komt op die manier bijvoorbeeld heel DIY over, maar het is net daarin dat de charme van het nummer zich schuilhoudt. Sophie May is met andere woorden een artieste om in de gaten te houden, want ondanks dat het hier en daar wat gevarieerder mocht klinken, is You Do Not Have To Be Good gewoonweg een sterk eerste project.

Hollywood Undead – Hotel Kalifornia (★★★½)

Hollywood Undead gaat ondertussen al een tijdje mee. De band werd in 2005 gevormd door een groep vrienden die opgroeiden in Hollywood en een verleden van armoede en ontbering kenden. De raprockers rezen op uit de Californische goot en vormden uiteindelijk de voorhoede van de 21e-eeuwse rockmuziek. Hun persoonlijke, rauwe ervaringen zetten ze om in herkenbare nummers waar een breder publiek zich kan in vinden. Op hun achtste album Hotel Kalifornia kaart de band de aanhoudende dakloosheid en de hoge kosten voor levensonderhoud aan die zijn thuisstaat teistert. De plaat wijkt niet veel af van wat we van Hollywood Undead gewoon zijn, al klinkt zijn sound door de jaren ervaring wel meer geslepen. De uptempo nummers hebben een donker en ruig kantje terwijl de zang afwisselend melodieus, rauw en rappend is. De singles gaan van aanstekelijk radiovriendelijk als “Ruin My Life” en “Alone At The Top” tot klassieke strijdliederen zoals “Dangerous”. Hotel Kalifornia is een eerlijk, resoluut en zelfs catchy album dat de authenticiteit van Hollywood Undead nog eens mooi in de verf zet.

Wet Satin – Wet Satin (★★★★)

Wet Satin is het nieuwe project van Jason Miller en Marc Melzer, beiden voormalige leden van de pyschedelische muziekgroep Lumerians. Met z’n tweeën richten ze zich op wat ze zelf als ‘kosmische tropicale’ omschrijven en Wet Satin is de eerste plaat waarop ze vorm geven aan die unieke sound. Het debuutalbum klinkt erg zwoel en betoverend. Het duo gooit invloeden als cosmic disco, cumbia en afrofunk in de blender en pureert die tot een smakelijke soep van broeierige, elektronische beats en kosmische melodieën. De nummers vloeien naadloos in elkaar over, waardoor de langspeler iets weg heeft van een mixtape. Bovendien beginnen nummers als “Rainbow Glint” vrij zacht en bouwen op naar een vibrerende percussieve climax. De mengeling van diverse, uiteenlopende muziekstijlen maakt dat Wet Satin een veelzijdige, onvoorspelbare en verrassende langspeler is geworden met sfeervolle singles om jezelf in te verliezen.

Ira Nor – Ira Swim (★★★)

Een eerste project uitbrengen, is zoals in een groot zwembad geduwd worden en leren zwemmen. De Noorse Ira Nor brengt met Swim Ira haar debuut-ep uit, waarop de 22-jarige haar pijn verwerkt in futuristische popnummers met een warme ondertoon. Geïnspireerd door acts als Charli XCX, Hannah Diamond en 070 Shake zoekt ze nog haar eigen geluid, want de invloeden komen duidelijk naar voor in de vocale productie. Terwijl ze dus muzikaal nog wat zoekende is naar haar eigen identiteit, zijn het haar bijzonder persoonlijke teksten die het voor ons doen. Dat het dus qua productie niet altijd origineel is, wordt dan weer gecompenseerd door de verhalen die ze vertelt en zorgen ervoor dat Swim Ira een ep is dat je niet zo maar over het hoofd mag zien. Er schuilt potentieel in Ira Nor, dat horen we het meest in de melancholische popbanger “swim alone in the dark”.

Kai Bosch – SLIPPING (★★★★)

De jonge Londense Kai Bosch bracht in mei zijn debuutsingle “Be Right Back” uit die uiteindelijk deel uitmaakt van zijn allereerste ep SLIPPING. Daarop horen we hoe de opkomende muzikant met verschillende structuren werkt, die telkens weer opnieuw voor wondermooie taferelen zorgen. “Orbit” wist ons melancholisch hart al in te pakken, maar het zijn ook de overige singles “Blood” en “Future Stranger” die ons van onze adem beroven door hun wonderbaarlijke opbouwen. Zijn diepe stem bevat een vertederende fragiliteit, die van SLIPPING allesbehalve een slippertje maken en tonen dat hij al sterk in zijn schoenen staat.

Nina Nesbitt – Älskar (★★★)

Met Älskar heeft de Schotse Nina Nesbitt officieel een derde langspeler op haar naam. Het heeft wel drie jaar moeten duren tegen er een opvolger was voor The Sun Will Come Up, The Seasons Will ChangeOf we Älskar een waardige opvolger mogen noemen, valt te betwijfelen. Tekstueel is het allemaal zeer mooi en diepgaand, maar op muzikaal vlak is het veel hetzelfde waarbij het ene pianonummer afgewisseld wordt door een gitaarliedje. Met “When You Lose Someone” heeft Nesbitt zeker de huilplaat van het album beet, maar bevinden er zich geen echte uitschieters op het album. De titelnummer “Älskar” is dan ook een beetje de vreemde eend in de bijt, gezien er hier voor het eerst wat meer elektronische elementen toegevoegd worden. In het algemeen kunnen we wel zeggen dat het een degelijk singer-songwriteralbum is, maar verrassingen hoef je hier niet te zoeken.

The Aristocrats – The Aristocrats with Primuz Chamber Orchestra (★★★★)

We worden zo mottig als vijf apen tegelijk wanneer iemand nog maar de woorden ‘rockgroep met symfonisch orkest’ in ons oor fluistert. We beginnen dus met een emmer binnen handbereik aan The Aristocrats with Primuz Chamber Orchestra. Maar kijk, dat blijkt al van bij de opener “Culture Clash” helemaal niet nodig. Wat een verademing! In plaats van een ordinaire Johnny Walker met River-cola krijgen we hier een cocktail van Cristal-champagne en Vieille Armagnac geserveerd. De geraffineerde toetsen van klassiek en de ingenieuze arrangementen van The Aristocrats versmelten op een volstrekt natuurlijke manier tot een soort progclassic, het kind van fusion en filmmuziek waarvan we nooit hadden durven vermoeden dat we het schattig zouden vinden. Soms lijkt het zelfs of het Primuz Chamber Orchestra het uitgangspunt is in plaats van The Aristocrats. Net daarom werkt dit zo wonderwel, waarschijnlijk. Hoe kon het zover komen? Wel, de groep stootte toevallig op een YouTube-video van het Poolse Primuz Chamber Orchestra, waarin het een nummer van The Aristocrats bracht, maar dan heruitgevonden door componist/arrangeur Wojtek Lemaski. De heren Govan, Beller en Minnemann waren daarvan zo onder de indruk, dat ze een samenwerking voorstelden: negen bestaande nummers kregen een make-over van Lemaski en zijn weelderige strijkersarrangementen. Alleen van “Stupid 7” worden we een beetje zenuwachtig, de rest brengt ons redelijk in vervoering. Meer van dit, maestro!

 

Built To Spill – When The Wind Forgets Your Name (★★★½)

Doug Martsch maakt er een sport van om zowel de bezetting van z’n band als de muzikale insteek voor elk nieuw album te veranderen. Built To Spill klinkt zo altijd ietsjes nieuw, met de stem en het gitaarspel van Martsch als immer terugkerende rode, nonchalante slacker-draad. Voor When The Wind Forgets Your Name, hun eerste plaat in zeven jaar, nam hij een duo Brazilianen onder de arm dat in 2019 al mee ging op de verjaardagstournee van Keep It Like A Secret. Met Le Almeida en João Casaes van Oruã, een bluesrockband uit Brazilië, spelen ze op het nieuwe album met psychedelische kijkgaten en nieuwe instrumenten. Zo vind je in “Rocksteady” reggae-geluiden en zit “Elements” verpakt in melancholisch ge-orgel.

Het nieuwe album kent geen bijna transcendente hoogtes à la “Carry The Zero” (Keep It Like a Secret, 1999) maar doet met “Spiderweb” en “Understood” wel haar best. Ook wie hard zoekt, vindt trouwens geen enkel slecht nummer op deze plaat. Wel lijken de respectievelijke songs minder stenen dan vroeger te kunnen verleggen. Er ontbreekt elegantie in de opeenvolging van tracks, en je wordt zo niet helemaal het universum binnengezogen dat zowel de cover van de plaat als enkele steengoede songs doen vermoeden en verhopen. “Fools Gold” en eind-track “Comes A Day” Wat de plaat zoals steeds wel doet, is doen uitkijken naar meer, naar hoe Built To Spill zichzelf andermaal binnenstebuiten zal keren.

Deze beire kortjes werden geschreven door Renaat Senechal, Niels Bruwier, Bart Van Goethem, Maxim Meyer-Horn, Lucas Palmans, Stephanie van Tol, Frauke Van Coile en Elise van Bockland.

Related posts
Nieuwe singlesOude Bekenden

Nieuwe single Daniel Avery - "Wall of Sleep" (feat. HAAi)

Daniel Avery heeft al een tijdje een nieuw album af en pakt daar maar al te graag mee uit. Daarin is de…
InstagramLiveRecensies

Superorganism @ Botanique (Rotonde): Een zootje ongeregeld

Soms gaan de dingen des levens niet helemaal zoals gehoopt, maar dat betekent daarom niet dat je bij de pakken moet blijven…
Nieuwe singlesOude Bekenden

Nieuwe single Archers of Loaf - "Screaming Undercover"

Een nieuwe dag, een nieuwe reünieplaat van een band uit de jaren negentig. Archers of Loaf zijn wel al sinds 2011 terug…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.