AlbumsRecensies

This Is Lorelei – The Singer In My Band (★★★½): Verrassend eenvoudig

Nate Amos heeft nooit geleden aan een tekort aan ideeën, eerder aan een teveel. Onder de vlag This Is Lorelei bouwde hij een Bandcamp-imperium van ruim dertig eps en mixtapes, noem het gerust een digitale rommelzolder waarin zowel posthardcore, hyperpop en folk achteloos door elkaar lagen. Pas met Box for Buddy, Box for Star uit 2024 kreeg die chaos een adres: het album werd terecht onthaald als het moment waarop deze bedroom-artiest zich meldde bij de voorhoede van een nieuwe Amerikaanse gitaargeneratie, naast namen als MJ Lenderman en Cameron Winter. Holo Boy volgde vorig jaar als minder gefocust tussenstopje. Met The Singer in My Band, zijn debuut voor het gerenommeerde Matador, voltrekt zich iets anders: geen uitbreiding van het universum, maar een inperking ervan. Amos snoeit, en het resultaat klinkt verrassend genoeg bevrijdend.

Waar eerder werk gretig van stijl wisselde binnen één tracklist, kiest deze plaat resoluut voor één warme kleur: gestripte altcountry met een lichte twang, muziek bedacht op de rand van een snelweg. Er hangt een eenvoud over deze elf songs, een sfeer van vóór de zondeval van te veel productiefratsen. Toch is ‘gestript’ zeker geen synoniem voor kaal: onder het schijnbaar simpele montuur schuilt een zorgvuldig opgebouwde gelaagdheid die het album even dicht bij The War on Drugs’ meanderende meeslependheid brengt als bij het kraakheldere handwerk van klassieke singer-songwriters.

Die verschuiving heeft een concrete aanleiding. Amos noemt dit zijn ‘road album’: nummers bedacht terwijl hij door de staten reed, dagdromend zonder instrument binnen handbereik, waardoor de melodieën simpel en meeslepend moesten blijven. Er was zelfs geen gitaar om ze mee te componeren. Die ontstaanswijze hangt samen met een persoonlijkere verschuiving: Amos werd recent nuchter na een periode van alcohol- en druggebruik, en die helderheid sijpelt door in de songs. Waar vroeger werk aanvoelde als het dagboek van iemand die zichzelf ontliep, ademt dit album een verzoening met het hier en nu.

Die verzoening krijgt een ontroerende vorm in de bezetting. Voor het eerst haalt Amos zijn eigen familie binnen: vader Bob, bluegrass-muzikant van beroep, tokkelt banjo op de titeltrack, terwijl zus Sarah achtergrondzang levert op onder meer “Billy Came Back”. Het titelnummer wordt zo een sluitend concept in miniatuur: de ‘zanger in mijn band’ is niet langer de eenzame architect van een eenmansimperium, maar één stem tussen verwante stemmen. Waar hij ooit dertig releases in zijn eentje schreef, kiest hij hier bewust voor het gezelschap van bloedverwanten. Laat dat net een van de grootste evoluties zijn van Amos.

Tekstueel werkt Amos met een cast personages; Joey, Billy, Buddy, Sarah, een pistool dragende crystal-dealer. Die zijn stuk voor stuk minder autobiografisch dan op zijn oudere werk. Opener “I Will Eat My Heart in the Morning Light” zet met niets dan akoestische gitaar, zang en een motorische beat meteen de toon: geen leven in verleden of toekomst, enkel het moment. Diezelfde aanvaarding, zonder in berusting te vervallen, doortrekt “And I Haven’t Seen My Love in Quite a While”, waar zang en baslijn zo innig samenvallen dat de zelfkastijding er bijna troostend van wordt.

Muzikaal glanst het album net waar de belofte van eenvoud wordt gebroken. Leadsingle “Billy Came Back” bouwt een anthemisch momentum op dat uit het speelboek van The War on Drugs lijkt gescheurd, terwijl “Oh No Now My” een broeierige, grungy afslag neemt die naar Alex G knipoogt. “The Kid with the Crown” ontvouwt zich als een ondeugende vertelling met ademruimte die de rest van het album zich bewust ontzegt, terwijl het korte instrumentale “Nitro” fungeert als een wegrestaurant waar de bluegrass-wortels van de familie Amos zonder woorden mogen spreken.

Productioneel tekent, mixt en engineert Amos alles zelf, met Howie Weinberg voor de mastering, en die eigenhandigheid is hoorbaar in hoe niets overdadig aanvoelt terwijl er wel degelijk laag op laag is gestapeld: genoeg terughoudendheid om ‘ontdaan van toeters en bellen’ te heten, genoeg textuur om nooit dor te klinken. Vergeleken met de rusteloze aanpak van zijn eerdere platen kiest Amos hier voor het eerst voor volledige, verzekerde afwerking boven verrassingseffect — een volwassenwording die onvermijdelijk iets van de vroegere onvoorspelbaarheid opoffert.

En daar wringt de kleine schoen. The Singer in My Band is Amos’ warmste en meest coherente plaat, maar ook zijn minst avontuurlijke: de verrassingsdrang van Box for Buddy, Box for Star is grotendeels ingeruild voor beheersing, en met 34 minuten over elf tracks laat het album je bovendien net iets te snel weer los. Toch getuigt dat vooral van hoe hoog de lat ligt: binnen het smallere spectrum dat Amos zichzelf oplegt, levert hij bijna feilloos werk af. In een muzieklandschap waarin de nieuwe Amerikaanse gitaargarde haar eigen canon schrijft, is dit niet de meest onstuimige plaat op die lijst, maar wel een van de betrouwbaarste. Een gestage hand aan het stuur, ook al mist de rit af en toe die ene onverwachte afslag.

Wie This Is Lorelei live wil zien kan hiervoor op woensdag 24 februari terecht in Tolhuistuin in Amsterdam. Twee dagen later staat hij in Botanique.

Ontdek “Billy Came Back”, ons favoriete nummer van the Singer In My Band, in onze Plaatje van de Plaat-playlist op Spotify.

Related posts
Nieuwe singlesOude Bekenden

Nieuwe single This Is Lorelei - "Billy Came Back"

Ja, het is warm. Nee, Nate Amos lijkt daar geen last van te hebben. Onder de naam This Is Lorelei maakt de…
InstagramLiveRecensies

Best Kept Secret 2025 (Festivaldag 3): Rood stof

De laatste dag van een festival is altijd de lastigste; zo wordt het cliché altijd wel bevestigd en dat was op Best…

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *