
© Press Steve Hackett
Twee jaar geleden had Steve Hackett al in het Koninklijk Circus moeten staan, maar door werken aan de zaal moest die show toen uitwijken naar de Ancienne Belgique. Gelukkig is de Brit op zijn 76ste nog steeds het optreden niet verleerd en zo kwam er twee jaar later dan toch een show in het Koninklijk Circus. De naam van die tournee luidt ‘Best Of Genesis & Solo Gems Tour’, en dat is dan ook exact wat we kregen, al zij het in de omgekeerde volgorde. We hoeven er ook geen doekjes om te winden dat het tweede deel naar alle waarschijnlijkheid de meeste bezoekers lokte.
Het optreden werd op gang getrapt met het luiden van een bel, waarna Hackett en kompanen “The Devil’s Cathedral” op gang trapten. Achterop het podium stond de leadzanger voor dat lied op een verhoogje, terwijl Hackett – the main man – centraal vooraan stond. Dat de gitarist daar stond was best logisch, maar de zanger die zich wat op de achtergrond begaf, was een zicht dat we toch nog maar zelden hadden gezien. Met onze ogen vervolgens op Hackett gefixeerd, zagen we de beste man complexe gitaarstukken spelen, zonder daarbij ook maar een krimp te geven. Hij deed het er haast zo simpel uitzien dat we vermoeden dat er vanavond nog door enkele fans een gitaar wordt besteld.
Hackett heeft niet enkel zijn gitaar vanbuiten geleerd, maar heeft ergens in zijn leven ook de tijd gevonden om wat Frans te leren en dat bracht hij in Brussel maar al te graag ten gehore. Hij vertelde het publiek hoe fijn hij het vond om weer in Brussel te zijn en stelde vervolgens ook al meteen zijn bandleden voor. Vier van die zes bandleden zongen daarna prachtig gezongen harmonieën tijdens “Every Day”; enkel de drummer en organist zongen niet. Het nummer bouwde, zoals het een goed progrocknummer betaamt, geduldig en minutenlang op naar een geweldige instrumentale ontknoping. Die werd mede mogelijk gemaakt door de geweldige klank van Hacketts gitaar.
Tussen zijn eigen parels had de gitarist ook ruimte voor nieuw werk, zo nieuw dat het zelfs nog moet verschijnen. Er is ook bijna een album klaar en als de rest van die plaat zo goed is als “The Sea Inside”, dan wordt het er sowieso eentje van grote klasse. De Brit gaf aan dat het sowieso wel vertrouwd zou klinken en dat was niet gelogen. Wederom konden we op een hoog episch gehalte rekenen, dat zich deze keer liet kenmerken door de indringende strijkerachtige organ en stevige drums. Na iets erg nieuws was het tijd voor iets ouds en zo werd “Ace of Wands” ingeleid met de anekdote over hoe hij het schreef en uitbracht toen zijn periode in de boyband waar hij toen inzat, ten einde liep. De naam van de band lag hem op de lippen, maar verder dan ‘Gen-‘ raakte hij niet.
Hackett zette zijn gitaarkunsten vrolijk verder in de verf en haalde voor het geweldige “Camino Royale” zelfs zijn slide boven, om zichzelf een tiental minuten later te overtreffen met een fantastische getapte introsolo voor het lange “Shadow of the Hierophant”, waarvan toch maar enkel het instrumentale gedeelte werd gespeeld. Zijn bekendste solonummer was dan ook meteen de afsluiter van het gedeelte met solowerk. Het werd op luid applaus en gejoel onthaald toen de Brit aankondigde na de pauze Genesis-nummers te brengen en dat enthousiasme zette zich al vrij snel nog wat verder. Na een geweldig “Dancing With The Moonlit Knight”, waarbij de zanger echt dicht bij het stemgeluid van Peter Gabriel kwam, kon het eigenlijk al niet meer stuk voor de Genesis-liefhebbers. Voor “The Cinema Show” haalde de bassist een dubbelnekkig monster boven, bestaande uit een basgitaar en een twaalfsnarige gitaar. Indrukwekkend zag het er zeker en vast uit, en ook het geluid dat uit de twaalfsnaar kwam was imens.
Hackett moedigde het publiek aan om mee te zingen en dat was best vreemd, want Genesis had ten tijde van Hackett niet bepaald meezingbare nummers, zeker wanneer je het vergelijkt met wat bij Genesis na Hackett kwam. We vroegen ons af wie de soms onnavolgbare teksten van die klassiekers vanbuiten kende en dat waren er verrassend veel. Ze werden hier en daar met volle overtuiging meegezongen, al diende de muzikale sfeer zich daar niet echt voor en was het ook niet moeilijk om het volume van de band te overschrijden. Wanneer dat wel volledig gepast was, was het tijdens het ruim twintig minuten durende “Supper’s Ready” en er luidkeels ‘a flower’ werd geschreeuwd. Na ook nog een knappe versie van “Firth of Fifth”, dat werd voorafgegaan door een knappe piano-intro, mocht de band een staande ovatie in ontvangst nemen en werd het podium voor de gebruikelijke twee minuten verlaten. Natuurlijk hadden ze nog een toegift in petto en óf het een fraaie was. “Dance On Volcanoes”, zowaar met rookkanonnen, vloeide door middel van een indrukwekkende solo over in “Los Endos”, dat op zijn beurt overging in “Slogans” en als grote finale nog eens naar “Los Endos” terugkeerde.
Steve Hackett bracht in het Koniklijk Circus een muzikaal verfijnde show, waarbij hij zowel het beste van zichzelf, als het beste van zichzelf ten tijde van Genesis op her publiek afvuurde. De gitarist beschikt nog steeds over een meesterlijke techniek, die het zo simpel deed ogen dat zowel wij als hij haast in meditatieve toestand verkeerden.





