Toen NewDad begin vorig jaar hun debuut Madra de wereld in stuurde, leek het alsof het Ierse kuststadje Galway ineens een nieuwe stem had gekregen die perfect de melancholieke zeelucht en het grauwe kustlandschap in muziek wist te vatten. Het viertal – aangevoerd door zangeres en gitariste Julie Dawson – werd snel opgepikt als de frisse belofte van de Ierse indiescene. NewDad combineert dromerige shoegaze met een moderne, soms brutale directheid. Met die directheid zijn ze in Ierland de laatste jaren al vertrouwd geraakt door al het postpunkgeweld, maar dat dromerige kantje was best wennen voor de eilandbewoners. Inmiddels zijn ze een jaar en heel wat optredens verder, geslonken tot een trio na enkele personeelswissels en presenteren ze met Altar hun tweede langspeler. De verwachtingen waren hoog, de druk reëel.
Wat meteen opvalt aan Altar is de toegenomen volwassenheid in de sound. Waar Madra soms nog wankelde tussen ruwe charme en onafgewerkte schets, klinkt deze opvolger strakker en internationaler. Gelaagde gitaren bouwen zorgvuldig muren van geluid, de drums klinken fel en gretig, en daarboven zweeft Dawson met een stem die intimiteit verenigt met urgentie. Thematisch is de plaat zwaar beladen: heimwee, opoffering, liefde die rafelt. Het voelt alsof de songs geschreven zijn met één voet in Galway en één in Londen, verscheurd tussen herinnering en vooruitgang.
Dat beeld klopt ook: Altar ontstond tijdens een periode van twee jaar waarin de band hun geboorteplaats verruilde voor de Britse hoofdstad. Die geografische breuk wordt een emotionele: Dawson schrijft als iemand die de Atlantische kust in haar dromen meedraagt terwijl de stad haar opeist, en soms uitput. De overgang naar een nieuw leven en de offers die daarbij horen, sijpelt resoluut door. Invloeden van de Londense scene zijn hoorbaar: postpunk en altpop vermengen zich met de shoegazelaag die NewDad al van bij het begin kenmerkt.
Die spanning tussen kracht en kwetsbaarheid is bijzonder goed voelbaar in opener “Other Side”, dat langzaam open bloeit vanuit een broeierige stilte naar een explosieve climax. De toon wordt verdergezet met “Heavyweight”, dat zijn titel alle eer aandoet: een bezwerend nummer dat de last van ambitie tastbaar maakt. Beide songs schetsen meteen het kader: dit is geen vrijblijvende dromerige pop, maar muziek die worstelt met de zwaarte van keuzes en de gevolgen daarvan.
Tegenover die massieve momenten staan songs die eerder in subtiliteit de kracht vinden. “Pretty” is een ode aan Galway, een melancholieke terugblik verpakt in lichte melodieën die even zweven als de zee waarop de stad uitkijkt. Het is een van de mooiste voorbeelden van hoe Dawson haar heimwee niet camoufleert, maar juist laat schitteren in haar teksten. Nog indrukwekkender is “Roobosh”, waarin ze haar woede zonder rem loslaat. Het nummer is fel, ongepolijst en fungeert als een tegenwicht voor alle melancholie elders op de plaat.
Andere hoogtepunten tonen de veelzijdigheid van de band. “Misery” is introspectief, bijna fragiel, maar met een intensiteit die onderhuids vreet. Het voelt als een litteken dat nooit volledig geneest, een constante herinnering aan verlies en verlangen. “Everything I Wanted” verkent dan weer de keerzijde van ambitie en verlangen; een anthemachtige song die de drang om vooruit te gaan omarmt, maar ook de angst blootlegt voor wat daarvoor opgeofferd moet worden. Steeds zoekt, en vindt, Dawson het evenwicht in de oefening. En met “Entertainer” legt ze de muziekindustrie zowaar zelf op de snijtafel: cynische, wrange regels over het toneelstuk dat van haar verwacht wordt, gezongen met een bijtende ironie die doet denken aan grootheden als Siouxsie Sioux.
Productiegewijs laat Altar horen dat NewDad zich niet langer tevreden stelt met een puur indieprofiel. De bijdrage van Sam Breathwick (alias Shrink), die naast synths en bas ook de productie verzorgde, tilt de band naar een nieuw plateau. Het geluid vult probleemloos zalen zonder dat de intieme kern verloren gaat. Het klinkt breed, gelaagd en met oog voor detail. Als we dan toch een kleine opmerking mogen geven; soms dreigt de grootse aanpak echter de spontaniteit weg te drukken die Madra zo charmant maakte. De glans en verfijning zijn onmiskenbaar, maar af en toe verlang je naar iets minder berekend, iets dat onverwachter klinkt.
In bredere zin positioneert Altar NewDad als een band die volop in transitie zit. Ze zijn hun shoegaze-wortels nog niet kwijt, maar ze schuiven richting een universeler palet dat ook postpunk en altpop omarmt. Die evolutie maakt de plaat rijker en veelzijdiger. Tegelijkertijd levert het momenten van voorspelbaarheid op: echo’s van The Cure, Cocteau Twins en zelfs Sinéad O’Connor sluimeren doorheen de songs. Het is een herkenbare, vaak meeslepende taal, maar niet altijd even vernieuwend. En toch: de emotionele eerlijkheid van Altar redt de plaat telkens opnieuw van oppervlakkigheid. Het maakt van Altar geen perfect, maar wel een geloofwaardig album, eentje dat de tocht van een jonge band documenteert die op zoek is naar zijn definitieve vorm.
Ontdek “Everything I Wanted”, ons favoriete nummer van Altarin onze Plaatje van de Plaat-playlist op Spotify.






