
© Ivo Goossens
Dat Lowlands wat speciaals is op de Nederlandse festivals, weten ze in Flevoland al langer dan vandaag. Over de jaren is het festival uitgegroeid tot een Walhalla om nieuwe muziek te ontdekken. Maar niet enkel muziek komt aan de beurt. Wie zich boeit in kunst, literatuur, film, workshops en poëzie komt hier ruimschoots aan zijn trekken. We kwamen dan ook ogen en oren te kort op dag één om alles gade te slaan. We pikten overal stukjes mee van en gingen op bezoek in de tenten waar ook geen muziek speelde. De zon was van de partij dus het weekend was alvast goed begonnen.
De X-Ray mag dan niet de grootste tent op Lowlands zijn, toch stond het publiek tot ver buiten aan te schuiven om een glimp op te vangen van Marathon. De band uit Amsterdam speelde dan ook zo goed als een thuismatch. Wie zich door de warme, zweterige massa naar voren wist te wurmen, werd beloond met een stomende rockshow die de lat meteen hoog legde voor de rest van de dag. Vanuit de X-Ray was het slechts een korte wandeling naar de Bravo, waar ook de openingsact veel bekijks trok. De Amerikaans-Britse Jalen Ngonda liet zijn soulvolle liefdesliedjes erin gaan als zoete koek. Zijn set golfde rustig op en neer, met hier en daar een scheut funk en blues die de boel wat extra pit gaven. Links en rechts wiegden heupen zachtjes mee, en toen zijn grootste hit “If You Don’t Want My Love” weerklonk, wist de Bravo dat het zijn eerste hoogtepuntje van de dag te pakken had.

© CPU – Nathan Dobbelaere (archief)
Wie daarna nog zin had in een portie stevig gitaarwerk, hoefde enkel richting India te trekken. Daar stonden de Wodan Boys klaar om hun duivels te ontbinden. Vanaf de eerste riffs vlogen de noten om de oren en hoewel de moshpits aanvankelijk uitbleven, werd elke song op applaus onthaald. Frontman Thomas van der Want gooide zich vol overgave in de strijd en wist uiteindelijk de voorste rijen in beweging te krijgen. Toen de eerste rondjes werden gelopen, volgden de vertrouwde moshpits vanzelf. Geheel tot ontploffing kwam de boel nooit, maar de rockers uit Den Haag zetten wel een pretentieloze, potige set neer die recht uit het hart kwam. Dat het snel kan gaan in het leven, hoef je de mannen van Kingfishr niet te vertellen. De band werd pas in 2022 opgericht en wist de Bravo nu al aardig vol te laten lopen. Dat ze daarvoor gretig uit de Mumford & Sons-formule putten, zegt veel: banjo’s werden regelmatig bovengehaald en de nummers werden op luid gejuich onthaald. Toch wisten vooral de meer intieme momenten nét wat meer te raken, al kregen wij nooit echt warm van deze vrij generieke folkrock.
Op naar de India dan maar, waar DEADLETTER er al vol tegenaan ging. Het zestal bouwde de afgelopen jaren een stevige livereputatie op, wat vorig jaar resulteerde in een uitstekende debuutplaat. Zanger Zach Lawrence, gewapend met tambourine, vuurde zijn band aan als een kruising tussen Liam Gallagher en Chian Gratten. Postpunkbands zijn er de laatste jaren genoeg de revue gepasseerd, maar DEADLETTER slaagde erin zich van de rest te onderscheiden. Ook op Lowlands kregen ze stap voor stap de menigte op hun hand. Hun songs ademde een dreigende sfeer die langzaam werd opgebouwd, waarbij de toevoeging van een saxofoon een schot in de roos bleek. Toen die spanning uiteindelijk ontplofte, ging de India compleet uit zijn dak. Schrijf maar op: DEADLETTER zou zomaar het nieuwe lievelingetje van de postpunkliefhebbers kunnen worden. Daarna tapte Luvcat uit een geheel ander vaatje. Met haar dromerige indiepop probeerde ze zieltjes te winnen. Qua looks deed ze denken aan Sabrina Carpenter, maar muzikaal schuurde ze dichter bij Lana Del Rey aan, met een melancholische ondertoon. Ondanks alle lovende kritieken wist Luvcat nooit echt te begeesteren. “Alien” liet ons even wegdromen, maar verder wist ze de middelmaat niet te overstijgen. Mogelijk kwam dat ook doordat de nummers niet volledig tot hun recht kwamen door de matige geluidsmix.

© CPU – Nathan Dobbelaere (archief)
Bijna tien minuten later dan gepland verscheen Amaarae toch nog op het podium van de Bravo. Haar elektronische afrobeats-pop kreeg maar een beperkt publiek op de been, maar wie er wél stond, was honderd procent mee in haar verhaal. Er wordt haar een grote toekomst voorspeld en met een TikTok-anthem als “Sad Girlz Luv Money” had ze het publiek natuurlijk sneller op haar hand. Van een band was geen spoor te bekennen: alleen Amaarae, een microfoon en een flinke dosis attitude. In de tent ernaast verkocht Spencer Sutherland ondertussen zijn show — en dat mag je gerust letterlijk nemen. De zanger uit Pickerington, Ohio balanceerde ergens tussen Freddie Mercury en Elvis, zowel in uitstraling als in podiumpresence. Een uur lang vuurde hij klassieke rocknummers uit zijn gitaar en ook al hadden zijn eigen songs niet altijd veel om het lijf en deden ze geregeld denken aan grote voorbeelden, de overgave waarmee hij ze bracht, tilde ze meteen naar een hoger niveau. Hij haalde alle trucjes uit de kast: handjes laten klappen, vraag-en-antwoordmomenten met het publiek, en toen hij uiteindelijk “Don’t Stop Me Now” van Queen inzette, ging de India-tent helemaal los. Een originaliteitsprijs zal hij niet winnen, maar de publieksprijs nam hij moeiteloos mee naar huis.
Dachten we even dat in rockmuziek alles al eens gedaan was, dan overtuigde unpeople ons van het tegendeel. Het ene nummer klonk als pure punkrock, het volgende haalde inspiratie uit het metalgenre, om daarna met een AC/DC-knipoog voor de dag te komen. Soms dook de band de meer obscure kant op, om vervolgens een popgetinte song erdoor te jagen. Het resultaat was een verrassend samenhangende rockshow waarin de gitaar in al haar facetten centraal stond. De X-Ray mag dan misschien het kleinste podium van het festival zijn, maar de moshpits waren zonder twijfel tot de grootste van de dag. Sommige keuzes zijn moeilijker dan andere. Terwijl wij bij de X-Ray stonden, speelde London Grammar in de Alpha. Voor wie de voorkeur gaf aan een meer intiem geluid werd op de wenken bediend door London Grammar. Toen we toekwamen, was de Engelse artieste net haar set aan het afronden. Het geluid stond opvallend luid in de mix, maar de engelenstem van Hannah Reid greep ons meteen bij het nekvel.

© CPU – Nathan Dobbelaere (archief)
Er was al heel wat gitaargeweld gepasseerd op de eerste dag van Lowlands, maar de band die het meeste volk wist te lokken, was overduidelijk Queens of the Stone Age. Moesten ze vorig jaar nog verstek laten gaan door de ziekte van Josh Homme, dit keer stonden ze er des te meer op gebrand om dat gemis dubbel en dik goed te maken. Homme en zijn bende lieten er geen gras over groeien en zetten de set verschroeiend in met het duo “You Think I Ain’t Worth a Dollar, but I Feel Like a Millionaire” en “No One Knows”. Van een opwarmronde was absoluut geen sprake. ‘Today is the only day we are all alive, so let’s dance’, sprak Homme, en zijn woorden bleken profetisch. “My God Is the Sun” liet werkelijk iedereen dansen van plezier.
De frontman leek bovendien in een bijna spirituele bui. Meermaals sprak hij zijn dankbaarheid uit dat hij dit nog steeds mocht doen. Hoewel het middenstuk van de set wat verwaterde in minder bekende songs, bleef de band strak en geconcentreerd spelen. Gelukkig volgde een uitgebreide finale die werd ingezet met “Straight Jacket Fitting”. Homme liet zich op het publiek vallen en werd als een keizer rondgedragen. Eenmaal terug op de grond wandelde hij tot ver buiten de tent. Of hij nu een glas wijn te veel op had of simpelweg high on life was, vrolijk was hij in elk geval. De show eindigde zoals hij begonnen was: met veel lawaai en nog meer energie. “Make It Wit Chu” zorgde voor intieme momenten in de Alpha en bracht koppeltjes dichter bij elkaar, maar het duo “Go With the Flow” en vooral “A Song for the Dead” brak de tent finaal tot op de grond af. Eén ding staat vast: rock-‘n-roll is nog lang niet dood.
En zo eindigde het muzikale deel van dag één op Lowlands. Alle tenten veranderden in danstempels die tot diep in de nacht alle feestvierders ontvingen, maar wij besloten vooral van onze nachtrust te genieten.






