
Wij waren erbij in 2002, toen Rise Against zich op Groezrock als support van Sick Of It All als een wervelwind presenteerde aan het grote publiek. Eén show was genoeg om zich in het collectieve hart van het punkrockpubliek te nestelen. Die ongebreidelde energie, dat gevoel dat elke song als een vuistslag in onze maag landde, werd jarenlang hun handelsmerk. Rauw, gretig en compromisloos; het waren de wapens van Tim McIlrath en kompanen. Met een mix van melodie en furie bombardeerden ze zichzelf tot leiders in de politiek getinte punkrock. Maar tijden veranderen en dat geldt ook voor bands. Met Ricochet presenteren ze hun tiende album. De honger van toen heeft plaatsgemaakt voor een meer berekende aanpak. Waar vroeger elk nummer voelde als een urgent statement, klinkt deze plaat vaak alsof hij vooral binnen veilige lijntjes wil blijven. De energie van de beginjaren duikt nog sporadisch op, maar verdwijnt te vaak achter gladde productie en voorspelbare structuren.
Na Nowhere Generation uit 2021 keerde de band terug naar de oefenruimte met het idee dat hun vertrouwde formule dringend moest worden bijgeschaafd. Op papier een een goeie insteek. En inderdaad, op bepaalde momenten ademt Ricochet een hernieuwde gretigheid. Dat is mede te danken aan producer Catherine Marks, bekend van werk met St. Vincent en Boygenius. Een ongewone, en daardoor misschien interessante, keuze. Marks voorziet de plaat van een breed, stadionwaardig geluid, met ruimte voor details en een loepzuivere helderheid. Alleen: wat in theorie een frisse wind had moeten zijn, voelt in de praktijk soms als een airco in plaats van een storm. Alle scherpe kantjes en het dna van de band zijn tot op de millimeter gladgestreken.
De opener “Nod” zet de toon: een midtempo-protestlied met een refrein dat ontworpen lijkt voor duizenden vuisten in de lucht. Vakkundig gemaakt, maar de energie voelt geprogrammeerd. De ritmesectie is solide, de zanglijn herkenbaar, maar het verrassingselement ontbreekt. Wat ooit aanvoelde als pure noodzaak, klinkt nu als het afvinken van een formule. Ook “I Want It All” – een single die al gemor opriep onder fans – balanceert tussen oude vurigheid en Marks’ glanzende mix. De gitaaraanslagen zijn strak, de baslijnen bedreven, maar de productie maakt het geheel opnieuw té glad, alsof het eerder is gemaakt voor een radiostation dan voor een zweterige clubshow. De titeltrack “Ricochet” werkt conceptueel het best: McIlrath bezingt hoe woorden als kogels terugkaatsen met gevolgen die niemand kan ontwijken. Het nummer heeft een broeiende drive en een refrein dat blijft hangen, maar ook hier lijkt de emotie gefilterd door een laag transparante lak. Zo mist de plaat na drie songs toch zijn start een beetje.
Het middenstuk van het album is wisselvallig. “Sink Like a Stone” benadert op papier de kern van Rise Against: een waarschuwing om jezelf niet op te offeren tot je verzuipt, gedragen door gitaarpartijen die stevig beuken. Helaas klinkt het alsof er een dunne sluier van witte ruis over de mix is gelegd. Geen onoverkomelijke fout, maar wel een onhandige keuze die afleidt van de boodschap. “Black Crown” laat daarentegen horen wat Marks’ aanpak wél kan opleveren: een donker, bijna shoegaze-achtig geluid waarin McIlraths zang in een dreigende wolk zweeft. Met de gastbijdrage van Andy Hull (Manchester Orchestra) ontstaat een emotioneel spanningsveld dat voor de band nieuw terrein verkent, en overtuigt. Toch valt halverwege het album op dat Ricochet niet alleen minder fel is, maar ook minder urgent. Rise Against was altijd een band die ons meesleurde, of we nu wilden of niet. Hier lijkt het alsof ze zelf niet altijd geloven in hun eigen vuur. “Gold Long Gone”, de akoestische adempauze, is daar een voorbeeld van. De intentie om kwetsbaarheid te tonen is oprecht, toch zorgt de gladde reverb op de zang ervoor dat het eerder afstandelijk dan intiem klinkt. Het voelt als een berekend emo-moment voor op het podium. “Swing Life Away” en “Hero of War” hoeven voorlopig hun plek in de setlist niet te vrezen.
De politieke prikkels zijn er ook, zij het subtieler. “State of Emergency” wijst geen concrete vijand aan, maar vangt het gevoel dat we permanent in crisismodus leven. Het bouwt langzaam op, weigert te ontsporen in pure agressie en kiest voor reflectie in plaats van revolutie. Het is emblematisch voor Ricochet als geheel: minder directe actie, meer introspectie en advies. In tijden van cynisme is dat misschien verstandig, maar het haalt te veel van de adrenaline weg die Rise Against ooit definieerde. Afsluiter “Prizefighter” herinnert eraan dat de band nog steeds een emotionele uppercut kan uitdelen. Geschreven met Jennifer Decilveo, is het een vlijmscherpe afrekening met bezit en controle: ‘I am not a prize that you compete for / Or a horse that you can break’. Hier vallen tekst, emotie en melodie eindelijk weer perfect samen. Het is het bewijs dat ze, onder de juiste omstandigheden, nog steeds tot het allerbeste in staat is.
Ricochet is daarmee geen slechte plaat, verre van. Het is een ambitieuze poging tot evolutie. Toch voelt het alsof Rise Against tussen twee werelden bungelt: vasthouden aan politieke betrokkenheid en punkethos, maar tegelijk een gelikte, veilige sound omarmen die eerder festivalpubliek dan straatpubliek aanspreekt. De momenten waarop de band écht losbreekt zijn te schaars om het geheel te dragen. Voor nieuwkomers is het een toegankelijke instap in de wereld van Rise Against. Voor wie er in 2002 al bij was in Meerhout, blijft het waarschijnlijk bij een enkele luisterbeurt. De boodschap staat als een huis, maar de muren zijn wel heel strak gestuct. Misschien dat deze songs live, ontdaan van hun studioglans, pas écht tot leven komen. Tot die tijd blijft Ricochet vooral een plaat die, ironisch genoeg, zijn eigen impact ziet terugkaatsen.
Facebook / Instagram / Website
Ontdek “Black Crow”, ons favoriete nummer van Ricochet, in onze Plaatje van de Plaat-playlist op Spotify.






