
© CPU – Lennert Nuyttens
In bijna zestig jaar heeft Deep Purple elke trend en grill van de muziekindustrie doorstaan. Zolang bands als The Rolling Stones nog steeds de wereld rondreizen, blijft het begrip ‘oud’ immers relatief. Deze zomer wisten Ian Gillan en co op de North Stage van Graspop Metal Meeting nog onder de brandende zon te rocken als nooit tevoren. Er ontbraken echter enkele hits op de setlist, wat het vermoeden wekte dat een volgende passage van deze hardrockveteranen niet lang op zich zou laten wachten. De release van hun 23e studioalbum =1 versterkte dat gevoel nog, nadat we eerder al de singles “Portable Door” en “Lazy Sod” hadden besproken. Afscheidstournees zijn in de hardrock- en metalwereld altijd onzeker, maar bij Deep Purple in Vorst Nationaal leek het deze keer écht het laatste rondje te zijn. Om de tour extra memorabel te maken, werd Jefferson Starship uitgenodigd als special guest – een iconische band op zichzelf.
Deze Amerikaanse bluesrockband, ontstaan uit het uiteenvallen van het legendarische Jefferson Airplane, viert inmiddels haar vijftigste verjaardag. Ondanks alle splitsingen wist David Freiberg een solide liveband op de been te brengen. Een kwartier vroeger dan gepland begon de set nog wat aarzelend. “Find Your Way Back” kon haast niet symbolischer zijn, maar door een gebrek aan herkenning wist de stevige arenarock in seventies-stijl niet volledig door te dringen. De echte reactie volgde pas bij de hits uit de Starship-periode. “Nothing’s Gonna Stop Us Now” en “We Built This City” lieten de glorieuze jaren tachtig kortstondig herleven, maar het enthousiasme in het publiek bleef toch ingetogen. Zangeres Cathy Richardson hield de vonk levend door de klassieker “Somebody to Love” uitbundig te vertolken. Toch voelde het geheel meer aan als een samenraapsel van vergane glorie, vooral in een Europese context. Zelfs het eigen rocknummer “Jane” slaagde er niet in om echt vonken te doen overslaan.

© CPU – Lennert Nuyttens
Jefferson Starship mocht dan een kwartier eerder starten en een kwieke opwarmer zijn, Vorst Nationaal was zo goed als helemaal volgelopen voor de Britse hardrockveteranen. Zelfs bij het verschijnen van de letters van het iconische bandlogo op het middelgrote scherm brak het publiek al uit in enthousiast applaus en gefluit. Wat volgde toen de lichten dimden, was een intergalactisch strijdvaardige strook klassieke muziek, waarna Deep Purple meteen het podium bestormde. Zodra de onverwoestbare drummer Ian Paice “Highway Star” aftelde op zijn drumstel, ontplofte de eerste bom van de avond. Op typisch Britse wijze toonde Ian Gillan zich als een charmante frontman, nog steeds ijdel genoeg om zich in een net overhemd te steken. Zijn stembanden moesten echter nog even opwarmen voordat hij bij de volgende klassieker, “Into the Fire,” moeiteloos de hoge noten haalde.
Met de liveprojecties van elk bandlid op de schermen werd visueel benadrukt dat deze vijfkoppige band geen trucjes, tapes of technische hulpmiddelen nodig heeft om haar indrukwekkende discografie tot leven te brengen. De ware showbeesten tijdens de ruim twee uur durende set waren echter gitarist Simon McBride en toetsenist Don Airey. McBride stond herhaaldelijk in de schijnwerpers en soleerde moeiteloos, alsof hij zelf “Smoke on the Water” had geschreven, terwijl Airey zich als een kind in een speeltuin bewoog – zij het een volwassen kind dat zijn wijn het liefst royaal en rood geserveerd krijgt. Bassist Roger Glover hield zich intussen aan de zijlijn, rechts van Paice en Gillan, en was als een rots in de muzikale branding. Ook aan zijn slaghand was geen enkele vorm van artrose of andere ouderdomskwaaltjes te bespeuren. Zijn iconische paarse bandana maakte zijn uitstraling des te onmiskenbaarder.

© CPU – Lennert Nuyttens
Dat Deep Purple zich beter thuis voelt in een zaal dan op een festival, werd vooral duidelijk tijdens “When a Blind Man Cries.” Het hardrockgeweld maakte plaats voor een introspectieve ballade, waarin de bluesachtige zang- en gitaarlijnen de kwetsbaarheid in ieder van ons blootlegden. Bij zo’n nummer zou je bijna een zee van flikkerende smartphones verwachten, maar Gillan en co hebben daar nooit om gevraagd en zullen dat ook nooit doen; ze gaven zichzelf simpelweg volledig. De draagbare opnametoestellen kwamen echter goed van pas tijdens de ellenlange solo van Airey. De toetsenist eerde wijlen Jon Lord door zijn veelzijdigheid te laten zien, waarbij hij klassieke pianostukken verweefde met noise-elementen en zelfs dansbare passages die bij het oudere publiek wellicht herinneringen opriepen aan een thé dansant. Bij elk ander concert zouden zulke solo’s misschien te langdradig aanvoelen, maar hier juist niet — zeker niet na een nummer als “Anya,” waarin de essentie van Deep Purples blijvende invloed op heavymetal volledig tot uiting kwam. De galopperende riffs deden denken aan het vroege werk van Iron Maiden, terwijl de symfonische passages lieten zien waar Sabaton zijn bombastische sound vandaan haalt.
Het enige verschil met jongere bands is dat het tempo bij Deep Purple niet altijd omhoog kon door Gillan. De man leek regelmatig in zijn eigen unieke belevingswereld te zweven, maar pure nostalgie was hem niet besteed; met dezelfde energie probeerde hij nummers als “Portable Door” en “Lazy Sod” minstens zo vitaal te brengen. Tegen het einde kwam er wat ademruimte vrij om achtereenvolgens “Space Truckin'” en “Smoke on the Water” de zaal in te slingeren. McBride stal even de show tussen deze nummers door, met een knipoog naar het publiek om de temperatuur op te meten, waarna de oerknal van de hedendaagse hardrock volgde – een riff die op zichzelf al een song is die zelfs elke muziekleek zo kan meeneuriën. Hoewel het ideale moment aangebroken was om met volle kracht de laatste ronde in te gaan, volgde toch een verplichte bisronde.

© CPU – Lennert Nuyttens
Niet dat de show die onderbreking nodig had. Het uptempo “Old-Fangled Thing” had naadloos kunnen aansluiten op “Smoke on the Water”; nu voelde het nummer eerder als een dieselmotor: opnieuw opstarten, gas geven, en weer vooruit. Ineens ging het heel snel: de wereldberoemde cover van “Hush” en de finale afsluiter “Black Night” zorgden voor een muzikaal spetterend einde. Visueel was er echter iets op aan te merken. Terwijl de meeste visuals eigentijds of op z’n minst passend bij de stijl van Deep Purple en hun albumcovers waren, kwamen de flashy kleuren en illustraties plots wat kitscherig en haastig in elkaar gezet over. Het contrast met de diepgang van de muziek kon bijna niet groter zijn. Hoe dan ook, in Vorst Nationaal draaide Deep Purple misschien voor de laatste keer op Belgische bodem rond de as van zijn eigen (on)sterfelijkheid. Voor concertgangers, zowel degenen die de band al eerder hadden gezien als nieuwkomers, leek er bij het buitengaan een unanieme gedachte te zijn: op de valreep hadden ze nog iets bijzonders meegemaakt.
Fan van de foto’s? Op onze Instagram staan er nog veel meer!
Facebook / Instagram / X / Website
Setlist:
Highway Star
A Bit on the Side
Into the Fire
Guitar Solo
Uncommon Man
Lazy Sod
Now You’re Talkin’
Lazy
When a Blind Man Cries
Portable Door
Anya
Bleeding Obvious
Space Truckin’
Smoke on the Water
Old‐Fangled Thing
Hush
Black Night






Goed verslag , mooi geschreven.
Dank voor deze mooi recensie, ook wij hebben genoten van deze legendarische muzikanten. Voor mij was de 2e hands dubbelaar Made in Japan die ik van een schoolvriendje kreeg 45 jaar geleden zo’n beetje de eerste kennismaking met kwaliteitsrock, helemaal grijs gedraaid, dus speciale herinnering aan. Ongelofelijk tempo nog van Ian Paice, ik kon niet geloven dat hij dat nog volhield. Geweldige hoogtes van Ian Gillan (komt daar gillen vandaan?). Mooi om legende Roger Glover cool op de bas te zien, de enige die geen solo (nodig?) had, en het podium als laatste verliet, kon geen afscheid van ons nemen. En geweldenaar Don Airey, als die naast je bij de bakker vertelt dat hij de toetsenist van Deep Purple is, zou je het niet geloven.
Overigens vonden wij Jefferson Starship ook geweldig, vooral door Cathy Richardson en de oude hits, de hits uit de Starship periode uit de jaren 80 zijn sowieso minder, maar horen wel bij zo’n show.
Speciaal voor deze keer naar Brussel gereden, (hoewel Ziggo voor ons Hollanders een dag later dichterbij is) Vorst Nationaal vond ik een sfeervolle zaal, ook de omringende betonnen bunkers bij de bar/lockers (wij stonden lekker in de ring) met graffiti en rookmachines, geeft een lekkere sfeer.
Achteraf bleek het geen goed idee nog eens te gaan luisteren naar een top groep uit mijn jeugd. Drummer en bassist deden het nog geweldig goed maar Ian Gillan heeft geen stem meer en de gitarist en de toetsenist wilden absoluut bewijzen hoe virtuoos ze zijn (en dat zijn ze ook), maar muzikaal was dat afschuwelijk. Daarbij komt nog het afschuwelijke geluid in de bunker van Vorst Nationaal: van begin tot eind één aanhoudend gedreun zonder nuances. Verschrikkelijk eigenlijk, of zelfs een beetje zielig. Morgen zet ik Machine Head nog eens op, zoals Deep Purple moet klinken!