De Amerikaanse gitarist Greg Freeman staat al een tijdje op de rand van een grote doorbraak. Zijn debuut I Looked Out (2022) werd initieel volledig over het hoofd gezien tot een reeks illustere zielsgenoten (Wednesday, Florry en co.) hem begonnen op te hemelen. De plaat werd om die reden twee jaar geleden heruitgebracht en de aandacht is sindsdien niet meer verstomd. Met Burnover uit 2025 zette de zevenentwintigjarige songwriter daarna meteen de puntjes op de i. De nadrukkelijke invloeden van zowel Modest Mouse als Magnolia Electric Co. werden gekoppeld aan een verslavende cocktail van americana en rauwe indierock. Dat mengsel noemt men tegenwoordig simpelweg alt-country, met verve vertegenwoordigd door ondermeer MJ Lenderman en Ratboys. Voor het schrijven van zijn derde worp verhuisde Freeman van zijn huidige woonplaats Chicago naar een onooglijk, minuscuul dorpje in het afgelegen New Mexico met een populatie van welgeteld honderdvijftien inwoners. Freeman is altijd al een onrustige globetrotter geweest. Opgegroeid in Maryland ging hij later religie en antropologie studeren aan de universiteit van Vermont om vervolgens na zijn studies in de States een jaar rond te rijden op zoek naar inspiratie en verwondering.
Gecombineerd met zijn verleden als lijnkok, museumsuppoost en bakker leverde die roadtrip een reeks onuitputtelijke tekstuele anekdotes op, die hij op All Set The Bone moeiteloos aan elkaar rijgt tot een poëtisch, enigmatisch geheel. Opener “Cahokia” illustreert dat ten volle. Vernoemd naar een mythische precolumbiaanse nederzetting aan de oevers van de Mississippi, schetst Freeman op een raadselachtige wijze de huidige psychische malaise in zijn vaderland. ‘These are the days of one thing after another, these are the days when subtly is dead and gone forever’. Ook het licht atonale “Culture”, met een joekel van een brug, herbergt een tekstregel van goudwaarde. ‘Who do you look to when you’re all on your own? When all your heroes lost their microphones’ en later ‘No culture and no more rock-‘n-roll ‘. Dat laatste moet je echter niet al te letterlijk nemen. Want geholpen door een kersverse en compacte nieuwe band wordt er af en toe stevig gas gegeven. Niet in het minst op het anthemische “Hail Mary” dat aarzelend start, maar daarna versnelt en gestaag ontaardt in een genadeloze kakofonie, Sonic Youth indachtig.
Op “Decade” (volgens ons een schalkse referentie naar de legendarische, driedubbele compilatie van Neil Young uit 1977) en eerste single “Indu” trekt Freeman een wat poppier jasje aan. Zingend als een krampachtige, overstuurde Matthew Sweet tijdens zijn hoogdagen (Altered Beast (1993)), schudt hij moeiteloos een rist aanstekelijke refreinen uit zijn portfolio. Neil Young staat trouwens ook te glunderen in het mini-epos “Marooned”. Deze ambitieuze, wat ongebruikelijke collage van slepende countryrock en Fugazi wordt navenant geproduceerd door John Congleton (St.Vincent, The War on Drugs). De beroemde producer, ooit in de leer bij wijlen Steve Albini, houdt de teugels strak in handen en is zo’n beetje het geheime wapen van All Set The Bone. Zijn typische drumsound leidt het euforische “Next To Nothing” nonchalant naar een orkestraal crescendo, compleet met blazers à la Rocket from the Crypt. In “Costs”, met een Procol Harum-orgeltje, schijnt dan weer een wazig, gloedvol sixtieszonnetje.
Badend in het neonlicht van een vervallen divebar, en gedreven door een combo van jengelend pianospel en scherven van gitaar, is “Loser’s Prize” dan weer gemaakt om ’s nachts weg te rijden van een emotioneel landschap dat ooit familiair aanvoelde, maar nu bol staat van vervreemding. Ook in garagerocker “Totaled” en “Withdrawn”, een paradoxale countrygaze-ballade die gaandeweg groovend instort, sluimert datzelfde onverschillige escapisme. Op All Set The Bone wordt het banale zelden opgevoerd. Freeman dweept met de pastorale dichter Robert Frost, maar houdt ook van de lyrische exaltaties in de Bijbel. Die voorliefde heeft hij gemeen met Mark Linkous (de frontman van cultband Sparklehorse die in 2010 uit het leven stapte). Maar daar waar Linkous de gitzwarte, gotische kaart trok, bivakkeert Freeman liever in zweterige punkclubs waar de wandklok op happy hour is blijven stilstaan. “Untitled 10” is daar de perfecte soundtrack voor. ‘So you don’t have to try so hard to be alone’, klinkt het als een vergeten Tom Petty-outtake, opgesmukt met violen en blazers.
Nadat “Bury Me The Shovel” na een dik uur Waitsiaans walsend Greg Freeman’s derde plaat afsluit met een vingerhoed accordeon, kunnen we er niet meer omheen. All Set The Bone is een absolute voltreffer, gezegend met een zeer zeldzame synergie tussen tekst en muziek. In dat opzicht en op dat tempo gaat Freeman zich weldra nestelen tussen andere Amerikaanse indierock-grootheden als zijn held Paul Westerberg en Elliott Smith. Hij verwoordt immers op indrukwekkende wijze dezelfde onbevangen hunkering naar vrijheid, getooid in een literaire panache. Of de einzelgänger ooit zijn geluk gaat vinden, blijft vooralsnog een vraagteken. Maar dertien songs lang schittert deze verbloemde biecht in al zijn pracht en praal. ‘Come for the guitars, stay for the stories’, vertelde hij ooit in een interview voor de alternatieve website Paste Magazine. Duidelijker kunnen we het niet stellen.
Ontdek “Loser’s Prize”, ons favoriete nummer van All Set The Bone, in onze Plaatje van de plaat-playlist op Spotify.






