Dead Poet Society maakt het zich nooit commercieel makkelijk. De Amerikanen brengen al twee albums lang een energieke en contrastrijke mix van alternative rock, heavy indie rock en duistere hardrock, gecombineerd met melodieuze popstructuren. Ook op het derde album zoekt de band de spanning op tussen rauwe gitaren, meeslepende melodieën en emotionele intensiteit. Waar -!- en FISSION nog venijnige rock brachten die zeker in de smaak viel bij de gitaarliefhebber, blazen de mannen uit Boston op het nieuwe Monarch alle veiligheidskleppen weg en experimenteren ze er op los. Volgens de band is het de meest veelzijdige en emotioneel aangrijpende plaat tot nu toe. Maar of dit echt hun magnum opus is, blijft nog een groot vraagteken. Met nummers als “Cold”, “Roach”, “Sinner Systems” en “Miami For The Weekend” kregen we vooraf al een voorproefje van wat de plaat in petto heeft: nog steeds die stompende gitaren, melodieus waar er plaats voor is en een band die vooral constant in beweging blijft. De vraag is dan ook niet of Dead Poet Society opnieuw grenzen opzoekt, maar hoe ver ze deze keer bereid zijn te gaan.
Dat ook theatraliteit mee in het album verweven zit, merken we meteen al aan de intro van “Hollywood On Fire”. De melodie die Jack Underkofler zingt heeft iets filmisch, maar het doek wordt meteen verscheurd door de gitaren die inslaan als een sloopkogel. Underkofler gaat met zijn stem de hoogtes in terwijl hij een landschap schetst van brandend vuur. Hij klinkt bijna alsof hij geniet van het gevaar, terwijl de band met een enorme urgentie tekeergaat. De toon is meteen gezet voor wat komt: een band die alles uit de studio heeft gehaald en buiten zijn grenzen treedt. Dat deden ze samen met Paul Meany, die eerder al werkte met Twenty One Pilots en Pierce The Veil en Adam Hawkins. Met een onverwoestbare ritmesectie bouwt de band verder met diverse blokken aan een divers landschap, maar iedere keer met dezelfde basis. Het sluit mooi aan bij wat de band zelf zegt over Monarch: niet zozeer zichzelf opnieuw uitvinden, maar dieper graven in wat Dead Poet Society als band definieert.
Opvallend is het muzikale landschap dat de Amerikanen brengen. Iedere luisterbeurt valt er wel iets nieuws te bespeuren. De gelaagde gitaren en verschillende riffjes zorgen voor nieuwe ontdekkingen. Op “Die If You Don’t” slaagt de band erin om een interessante diepte te creëren. We weten nooit waar het nummer nu precies naartoe gaat en dat maakt de ervaring intens. De gitaren op de voorgrond ronken als gigantische bulldozers, terwijl er fijne, hallucinerende gitaarmelodietjes doorheen verweven zitten. “The Art Of Suffering” is muzikaal het interessantst. Een sprankelende synth opent het geheel met een snijdende gitaarmelodie, terwijl het nummer episch opbouwt. Het breekt nooit echt los, maar smeult als traag vuur, tot voor we het weten alles is opgebrand.
Die brullende gitaren in combinatie met een bas die we bijna niet horen, maar alleen voelen, lijkt opnieuw de rode draad te vormen doorheen het album. Hetzelfde gitaargeluid wordt zo consistent gebruikt dat wanneer er op “Miami For The Weekend” iets anders gebeurt, dit er meteen uitspringt. Hiermee brengen ze een punkrocker in de meer traditionele zin. Of hoe traditioneel Dead Poet Society dit kan. Want toch blijven er onverwachte momenten die we onmogelijk zien aankomen. Zo ontploft het nummer niet helemaal, maar dooft het eerder traag uit als een opgebrande kaars. Ook “Get Hot” is een rechttoe-rechtaan-rocker die gemaakt is voor het podium. Hier komt het sterke baswerk van Dylan Brenner sterk naar voren. De Amerikanen zoeken opnieuw die diepte op, maar slaan hier de bal eerder mis. Waar die gelaagdheid op “Die If You Don’t” voor spanning zorgt, werkt dezelfde aanpak op “Get Hot” eerder verstikkend. De vele lagen brengen eerder de hectische sfeer van een op hol geslagen arcadehal. Ondanks zijn korte drie minuten vliegt het nummer alle richtingen uit, waardoor een duizelig en overweldigend gevoel ontstaat. De eerdere single “Sinners Systems” lijdt onder hetzelfde probleem.
Dat Dylan Brenner een hoofdrol krijgt op de plaat, is te merken op “Psalm 136”. Een slopend ritme knalt uit de boxen waar Pantera jaloers op zou zijn geweest. Op “Dead On The Inside” lijkt de bas zelfs de rol van leadgitaar op zich te nemen. Terwijl die de ijzersterke riff stuwt, lijkt eerder de gitaar het ritme aan te voeren. Ritmisch schiet de band helemaal in de roos. Ook op “The Park” brengt de band dat sluwe gevaar, terwijl Jack Underkofler de hoogte in schiet met zijn stem. De zanger overtreft zichzelf en ook al wordt er hier en daar geëxperimenteerd met effecten, zijn talent is onmiskenbaar.
Dat experimenteren is eigenlijk de rode draad doorheen Monarch. Dead Poet Society klinkt op hun derde plaat alsof ze alle remmen hebben losgelaten. Woede, verdriet en frustratie worden niet zozeer uitgelegd, maar omgezet in muziek. De band probeert het gevoel centraal te zetten en dat horen we vooral in de manier waarop nummers voortdurend van gedaante veranderen. Soms werkt dat indrukwekkend, soms lijkt het alsof er simpelweg te veel ideeën tegelijk in één nummer zitten.
Dead Poet Society hoopt met Monarch hun magnum opus afgeleverd te hebben. Maar toch zijn ze daar niet helemaal geraakt. Met een sterke basis heeft de band soms te veel willen doen, waardoor het geheel soms overweldigend overkomt. De plaat is muzikaal interessant, maar voelt na veertig minuten vermoeiend aan. We krijgen het gevoel dat wanneer het laatste nummer eindigt, er een volledige constructieploeg over ons heen is gereden. Monarch toont wel dat Dead Poet Society hun eigen muzikale territorium steeds verder durft af te bakenen. De band heeft duidelijk nog meer in zijn mars, maar zal in de toekomst misschien vooral moeten leren welke ideeën ze beter kunnen weglaten. Niet alles hoeft groter, zwaarder of complexer te zijn om te blijven hangen.
Ontdek “The Park”, ons favoriete nummer van Monarch, in onze Plaatje van de plaat-playlist op Spotify.






