
© CPU – Nathan Dobbelaere
Hoe beter een proloog voor je festival organiseren dan zeven topstemmen uit de hedendaagse pop te programmeren. Geen gitarenmuur of grote bombast (op dat klein kasteeltje van Chappell Roan na natuurlijk) om het startschot te geven, maar een dag volledig in handen van vrouwen die elk op hun manier tonen hoe breed en krachtig popmuziek vandaag geworden is. Van dromerige klanken tot grootse gebaren, van pril talent tot wereldsterren, het Parc de Saint-Cloud ademde meteen een energie die fris, zelfverzekerd en onstuitbaar voelt.
Terwijl de rest van het terrein nog even op zich laat wachten – er zijn slechts 2 van de 5 stages in gebruik vandaag – krijgen de aanwezigen de kans om de toon van het festival rustig in zich op te nemen. Morgen barst Rock en Seine pas echt los met alle podia, maar vanavond staat Parijs al volop in het teken van pop in al haar wondermooie gedaantes.
Luvcat @ Grand Scene

© CPU – Nathan Dobbelaere (archief)
Als er in Parijs één naam is die vandaag de rol van ontdekking mag opeisen, dan is het wel Luvcat. De Britse singer-songwriter uit Liverpool timmert al een tijdje aan de weg met een reeks intrigerende singles en staat op het punt haar debuutalbum Vicious Delicious uit te brengen op, toepasselijk, Halloween. Reeds drie keer passeerde ze door de Franse hoofdstad dit jaar, maar nu mag ze voor het eerst een groot Frans festivalpubliek overtuigen, op de main stage dan nog wel.
Geflankeerd door haar strak in wit geklede band, zette Luvcat meteen een sfeer neer die balanceerde tussen gothic chic en Moulin Rouge-glamour. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom ze door fans wel eens omschreven wordt als een soort ‘emo Sabrina Carpenter’: speels en poppy, maar met een donkere twist die net dat beetje extra spanning geeft. Terwijl “Matador” en “Love & Money” de set op z’n best deden klinken, moet ook gezegd worden dat het nieuwe “Blushing”, goed kan gesmaakt worden en perfect in het œuvre van de Britse past. Afsluiter “Dinner @ Brasserie Zédel” kon bijna niet toepasselijker zijn. Het werd zo niet alleen een knipoog naar haar eigen Londense roots, waar de Parijs-geïnspireerde brasserie te vinden is, maar ook een verrassend charmante afsluiting van een set die evenveel belooft voor de toekomst als ze vandaag al levert.
Sofia Isella @ Scene Horizon

© CPU – Nathan Dobbelaere (archief)
Wie vroeg op de dag de Scène Horizon opzocht, kreeg een merkwaardige verschijning voorgeschoteld. Sofia Isella, vorig jaar nog opener voor Taylor Swift in Wembley, stond er alleen op het podium, half als zombie geschminkt en eerder leunend op mysterie dan zelfvertrouwen. Ze beet de spits af met “Hot Gum” en “Cacao and Cocaine”, donkere popsongs die de toon zetten maar tegelijk de leegte van haar minimalistische aanpak blootlegden.
“Josephine” en “Man Made” probeerde ze met meer nuance te brengen, maar zonder band klonk het vaak te kaal en niet altijd even zuiver. Toch waren er momenten die intrigeerden, zoals de theatrale vioolpassage tijdens “The Doll People”, terwijl ze op de grond lag. Haar uitdagende woorden ‘I want you to be ugly, I want you to scare me’ pasten perfect bij de duistere sfeer van “Sex Concept” enOrchestrated, Wet, Verboten”. Afsluiter “Looked the Future in the Eyes, It’s Mine” klonk ambitieus, maar maakte duidelijk dat Isella nog zoekende is naar hoe ze haar ideeën overtuigend naar een groot festivalpodium kan vertalen. Intrigerend, maar vandaag niet helemaal raak.
Suki Waterhouse @ Grand Scene

© CPU – Senne Houben (archief)
Suki Waterhouse verschijnt op de Scène Horizon alsof ze rechtstreeks uit een droom is weggelopen. Glitterballen schitteren rondom haar, iemand in het publiek blaast bellen tijdens “Johanna” en de Britse straalt alsof ze dit moment al jaren voor ogen had. ‘Het is altijd mijn droom geweest om hier te spelen’, vertrouwt ze het publiek toe. Aan de massa die zich vandaag verzamelde, is te zien dat die droom gedeeld wordt. Net als bij Luvcat en Sofia Isella eerder op de dag valt vooral de toeloop op: Rock en Seine lijkt klaar voor een nieuwe golf vrouwelijke popsterren.
De Britse actrice en topmodel, binnenkort echtgenote van Robert Pattinson, balanceert moeiteloos tussen melancholie en speelse pop. “Blackout Drunk” wordt luidkeels meegezongen, terwijl “Supersad” en “My Fun” opnieuw dat typische contrast laten horen tussen lichtvoetigheid en onderhuidse tristesse. “Dreamwoman” – dat op Pukkelpop nog voor een hoogtepunt zorgde – ontbreekt vandaag verrassend genoeg, maar Waterhouse maakt dat ruimschoots goed met een cover van “Don’t Look Back in Anger”. ‘I went to see Oasis in Wembley the other day. It feels like my country is healing’. We snappen maar al te goed hoe ze haar voelt.
De regen druppelt gestaag neer, maar op het podium voelt alles als een glanzende schuilplaats. Met een natuurlijke flair beweegt Waterhouse tussen popster en intieme entertainer. Ze is misschien niet de meest vernieuwende artieste van de line-up, maar ze weet wel hoe ze een grijze, vochtige namiddag kan omtoveren in een kleurrijke herinnering. Glitter, melancholie en een vleug britpopnostalgie: het is een cocktail die vandaag wonderwel werkt.
Sunday (1994) @ Scene Horizon

© CPU – Nathan Dobbelaere
Sunday (1994) treft vandaag wat pech. Terwijl Suki Waterhouse even verderop massa’s volk aantrekt, blijft het bij de Scène Horizon opvallend rustig. Toch laat de Brits-Amerikaanse band zich niet uit het lood slaan. De melancholische ondertoon past wonderwel in de lijn van eerder op de dag, denk maar aan de donkere melancholie van Luvcat.
De set opent met “Blonde” en “Stained Glass Window”, waarin meteen het filmische karakter van hun klank naar voren komt. Het viertal bouwt zorgvuldig op naar momenten van intensiteit, zoals het meeslepende “TV Car Chase” en het breekbare “Our Troubles”. Zangeres Paige Turner zoekt hier en daar contact met het publiek, al blijft de interactie eerder schaars. Niet dat het veel uitmaakt: de muziek draagt zichzelf. In de tweede helft schuiven nummers als “Softly” en “Still Blue” als wolken voorbij, met “Blossom” als eerste echte hoogtepunt. Afsluiter “Tired Boy” vat de set mooi samen: introspectief, sfeervol en eigenzinnig genoeg om te blijven hangen. Het publiek was dun bezaaid, maar wie er stond, kreeg een aangename en overtuigende set die perfect aansloot bij de sfeer van deze eerste festivaldag.
London Grammar @ Grand Scene

© CPU – Nathan Dobbelaere (archief)
London Grammar hoeft allang geen introductie meer, maar telkens de band een podium betreedt, voelt het alsof er een nieuw hoofdstuk wordt geschreven. De Britten openen in Parijs meteen sterk met “Hey Now” en “Californian Soil”, waarbij de zwevende klanken haast richting Massive Attack neigen. Het past wonderwel bij de grijze hemel boven de Seine, al zou dit soort muziek misschien nog beter renderen in de beslotenheid van een tent. Toch laat het Franse publiek zich gewillig meeslepen. Al bij het derde nummer zwaaien duizenden handen gretig mee, alsof Hannah Reid en co een onzichtbare draad hebben gespannen tussen hun melancholie en de menigte. Reid klinkt tegelijk breekbaar en krachtig, en wanneer “Wasting My Young Years” weerklinkt, wordt dat een van de onbetwiste hoogtepunten van de avond. Ook “Strong” raakt nog altijd als een mokerslag, terwijl “Nightcall” een golf van herkenning teweegbrengt.
De band is zichtbaar in topvorm, misschien omdat dit hun laatste show van de zomer is. Alles loopt vlekkeloos, maar tegelijk sluipt er een klein gemis in de lucht. Geprogrammeerd tot 20.35 u., maar al klaar rond 20.25 u.: het was zo mooi dat je instinctief nog meer wilde. Het afsluitende “Lose Your Head”, met zijn onverwacht opzwepende beat, zorgt voor een laatste uitbarsting, maar had gerust langer mogen duren. London Grammar bewijst vanavond opnieuw dat grootsheid niet altijd luid hoeft te zijn. Soms volstaan dromerige klanken, een stem die je recht in de ziel snijdt en een publiek dat daar dankbaar in meegaat.
Chappel Roan @ Grand Scene

© CPU – Chris Stessens (archief)
Een kwartier later dan gepland komt ze eindelijk op, maar de vertraging is al snel vergeten. Problemen met het scherm zorgden voor haperende visuals bij de start, maar zodra Chappell Roan in haar groene vlinderpakje het podium betreedt, verandert de Main Stage in een sprookjeswereld die zo uit een donkere Alice in Wonderland-versie lijkt geplukt. Parijs kijkt ademloos toe: er speelt op dit moment geen enkele andere artiest en dus staat het terrein bomvol.
Wat meteen opvalt: Chappell staat er niet alleen. Een volledig vrouwelijke band ondersteunt haar, en samen knallen ze van bij opener “Super Graphic Ultra Modern Girl”. Het publiek gaat luidkeels mee, alsof dit een greatest-hitsset is in plaats van het debuut van iemand met amper één album op haar naam. Al bij het tweede nummer, “Femininomenon”, voelt het alsof een collectief ritueel wordt ingezet waarin iedereen zich onderdompelt in Roans theatrale popuniversum. ‘Can you believe it, we’re in Paris’, roept ze, bijna ongeloofwaardig, alsof ze het zelf amper kan bevatten. Een jaar geleden was het plan nog om in een kleine zaal zoals de Melkweg in Amsterdam te spelen, waar ze zelfs shows moest afzeggen wegens zogezegde logistieke redenen – wellicht omdat de vraag toen al groter was dan de zalen die ze speelde. Vandaag is er geen sprake meer van twijfel: Rock en Seine bewijst dat Roan nu écht thuishoort bij de allergrootsten.
De visuals versterken dat gevoel. Donkere bossen, glinsterende kastelen en vervormde vlinders vullen de schermen en maken van de Main Stage een sprookjesdecor dat tegelijk betoverend en licht dreigend aanvoelt. Roan benut die ruimte ten volle: tijdens “The Subway” en “Picture You” dwaalt ze rond alsof het podium een decor is waarin ze haar eigen rol speelt. De setlist leest als een onafgebroken reeks hoogtepunten. “Casual” wordt luidkeels meegezongen, “HOT TO GO!” zet de hele wei in beweging en bij “Barracuda” bewijst ze dat ze ook buiten haar eigen materiaal kan schitteren, al was dit momentje misschien overbodig. Even lijkt het erop dat “Shame on You” zou ontbreken, zoals eerder deze zomer, maar ook die krijgt alsnog een plaats in de set. En terecht, want de reacties van het publiek maken duidelijk dat hier niemand iets wil missen. Wanneer “Good Luck, Babe!” en “My Kink Is Karma” passeren, lijkt Roan in sneltempo een popcanon te schrijven. Elk refrein wordt massaal teruggekaatst, elk danspasje nagebootst, alsof dit al jaren vaste kost is. Het ultieme slot komt met “Pink Pony Club”, de song die intussen uitgegroeid is tot een anthem van vrijheid, vreugde en overgave. Rondom ons dansen vriendengroepen, koppels, gezinnen en solofestivalgangers alsof ze deel uitmaken van hetzelfde sprookje dat Roan heeft gecreëerd.
Chappell Roan laat vanavond zien dat ze geen eendagsvlieg of internethype is, maar een artieste die de kracht heeft om een festivalweide om te toveren tot haar eigen universum. Het sprookje begon misschien wat vertraagd en met technische haperingen, maar het einde was pure magie.
Terugkijkend op deze festivaldag valt één constante op: de vrouwen hebben het tempo bepaald. Van de intieme mystiek van Sofia Isella over de melancholische kracht van Sunday (1994) tot de poptriomfen van Suki Waterhouse, London Grammar en Chappell Roan — telkens opnieuw wist een frontvrouw de toon te zetten. Het publiek liet zich gewillig meevoeren, of dat nu was in stille ontroering of in uitzinnige dans. Meer dan ooit bleek dat de nieuwe golf vrouwelijke artiesten niet enkel een trend is, maar een noodzakelijke verschuiving in het muzikale landschap. Liberté, Égalité, Féminité.





