
Als je geboren bent in Nashville, dan krijg je country met de paplepel meegegeven. De gitaar wordt je als peuter in de handen gestopt in plaats van een fopspeen. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de stad meerdere groten heeft voorgebracht. Sean Tillmann begon zijn carrière als straatmuzikant en groeide uit tot een sleutelfiguur binnen de moderne folk- en americana-golf van de jaren 2000 en 2010. Onder de artiestennaam Langhorne Slim gooide hij albums als The Spirit Moves en Be Set Free de wijde wereld in. Die leverden hem erkenning als een verhalenverteller pur sang: een artiest die evenveel leunt op rauwe emotie als op melodieuze eenvoud. Doorheen zijn inmiddels omvangrijke discografie bleef hij zelden stilstaan. Hij flirtte met soul, gospel, indie en rootsrock, maar keerde telkens terug naar de kern: eerlijke songs die schuren, troosten en soms onhandig struikelen over hun eigen gevoelens. The Dreamin’ Kind, zijn negende studioalbum, zet die tocht van ontdekking verder, met een iets steviger kantje.
Muzikaal kiest The Dreamin’ Kind nadrukkelijk voor een steviger, meer elektrische benadering. Het is niet dat er wat versterkers worden toegevoegd aan de vertrouwde formule, maar een rock ’n roll-album met een songwriter-hart. De twaalf songs, goed voor een compacte achtendertig minuten, worden gedragen door zeventigerjarenriffs, grootse power chords en een ritmesectie die de boel geregeld vooruit duwt. Tegelijk blijft Langhorne Slims kenmerkende emotionele openheid intact. Thematisch ontvouwt de plaat zich als een doorlopende boog: van chaos en roes, via liefde en breuk, naar volharding en uiteindelijk een vorm van gekozen rust. Het album balanceert voortdurend tussen uitbundigheid en kwetsbaarheid. Het is luid zonder hol te klinken, intens zonder zichzelf te overschreeuwen.
De ontstaansgeschiedenis van The Dreamin’ Kind verklaart veel van die dynamiek. Na jaren waarin hij vooral werd gezien als akoestische troubadour, groeide bij hem het verlangen om andere liefdes opnieuw ruimte te geven. Rock ’n roll, zo gaf hij zelf aan, raakte hem altijd even diep als folk. In Nashville vond hij de ideale partners om dat gevoel te vertalen: producer en gitarist Sam F. Kiszka, bekend van Greta Van Fleet, en drummer Daniel Wagner. De opnames vonden grotendeels plaats in en rond Kiszka’s huisstudio, in een losse huiselijke sfeer. Songs ontstonden uit riffs en jamsessies, eerder dan uit zorgvuldig uitgetekende demo’s. Voor Langhorne Slim betekende het proces een bevrijding: eindelijk mocht hij de elektrische gitaar omarmen, zonder zijn kenmerkende narratieve kracht te verliezen.
Die energie spat er meteen vanaf in de opener “Rock N Roll”, een song die fungeert als manifest. Vanaf de eerste tonen weet je; dit is iets anders dan dat we van Langhorne Slim gewoon zijn. Met een pompende baslijn en gecontroleerde chaos zet hij het leven neer als een wankel vaartuig op open zee; instabiel, angstaanjagend, maar ook opwindend. Het nummer vat perfect samen waar deze plaat om draait: niet om beheersing, maar om overgave. Elders toont hij zijn tedere kant, zoals in “Dream Come True”, waar hoop en kwetsbaarheid hand in hand gaan. Het legt de romantische kern van het album bloot: zonder droom geen werkelijkheid, zonder geloof geen houvast. De melodie is eenvoudig, bijna naïef, maar juist daardoor des te oprechter.
Toch is The Dreamin’ Kind geen eenzijdige viering van liefde. In nummers als “Stealin’ Time” en “Rickety Ol’ Bridge” sluipt de breuk binnen. Hier schakelt de plaat terug naar de meer vertrouwde akoestische intimiteit. Tillmanns stem klinkt breekbaar, soms op het randje van uitputting, terwijl de viool en sobere gitaarlijnen de emotionele ravage omlijsten. “Rickety Ol’ Bridge” fungeert als moreel zwaartepunt van het album: een fatalistische meditatie over balanceren tussen hoop en ondergang. Het is hier dat zijn talent als tekstschrijver het felst schittert, met beeldspraak die eenvoudig lijkt maar diep snijdt. De tweede helft van het album herneemt geleidelijk de energie, zij het met littekens. “Strange Companion” blaast de deur weer open met rammelende piano, een dwingende groove en confronterende teksten over innerlijke onrust. De rock ’n roll klinkt hier bevrijdend en zelfs bijna therapeutisch. Hij gebruikt volume als middelen om overeind te blijven, niet als blinde swagger. Dat gevoel zet zich voort in latere songs, waarin zelfreflectie en volharding centraal staan. Afsluiter “Engine 99” laat Langhorne Slim horen als iemand die zijn schaduwen erkent, maar weigert zich erdoor te laten verlammen.
Productietechnisch blinkt The Dreamin’ Kind uit in balans. De plaat klinkt warm en vol, maar nooit overgeproduceerd. De gitaren mogen scheuren, de drums mogen dreunen, maar er blijft altijd ruimte voor de authenticiteit die hem groot maakte. Dat is de grote verdienste van de samenwerking met Kiszka en Wagner: zij begrijpen dat rock ’n roll hier geen doel op zich is, maar een drager van emotie. De arrangementen zijn rijker dan op zijn eerdere werk, zonder hun kern te verliezen. Waar zijn vorige albums soms fragmentarisch aanvoelden, bezit deze plaat een duidelijke narratieve samenhang. Binnen zijn discografie markeert album negen een volwassen heruitvinding. Het album verlaat zijn roots niet, maar zet ze onder hoogspanning. Toch is dit geen revolutionair werk. De verrassing zit niet in radicale vernieuwing, maar in de overtuiging waarmee Langhorne Slim zijn grenzen verlegt.
Dat brengt ons bij de conclusie; The Dreamin’ Kind is een sterk, soms meeslepend album dat vooral overtuigt door zijn eerlijkheid en energie. De grootste troeven zijn de emotionele oprechtheid en de toegevoegde rock ’n roll-vitaliteit. Tegelijk mist de plaat af en toe de scherpe piek of het onmiskenbare meesterwerkmoment dat haar boven het maaiveld zou doen uitsteken. Maar misschien is dat precies de charme: The Dreamin’ Kind is een plaat die bewijst dat groeien soms luid mag klinken, zolang het maar echt blijft.
Ontdek “Dream Come True”, ons favoriete nummer van The Dreamin’ Kind in onze Plaatje van de Plaat-playlist op Spotify.






